Het kamp als biopolitiek paradigma van onze tijd

Agamben for dummies

Arie Altena

Eerder dit jaar verscheen de Nederlandse vertaling van Homo Sacer, het meest besproken boek van de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben. Zijn naam duikt de laatste tijd vaker op in de context van hedendaagse kunst, vooral als het gaat over politieke issues als immigratie en uitsluiting. Wat heeft Agamben ons te vertellen, en wat is de aantrekkelijkheid van het denken van Agamben?

Giorgio Agamben (1942) is geen makkelijk filosoof. Agambens teksten lijken soms meer op een palimpsest van schijnbaar fragmentarische commentaren op Aristoteles, middeleeuwse Arabische filosofen, de scholastici, Hegel, Hannah Arendt, Foucault en Deleuze, dan op een straightforward vertoog. En wie afgeschrikt wordt door het vanzelfsprekend gebruik van Oud-Griekse, Arabische en Latijnse citaten, die begint beter niet aan Agamben.

Hoewel Agambens eerste boek (Stanze) al van 1977 dateert, en een groot deel van zijn werk sinds begin jaren negentig in het Engels is vertaald, is de receptie van zijn denken pas in de afgelopen jaren goed op gang gekomen. Waar Agamben in zijn eerste boeken veel over kunst en literatuur schrijft, ontwikkelt hij zich vanaf de jaren negentig steeds meer tot politiek filosoof met ideeën die aan de fundamenten van de westerse filosofische en politieke opvattingen lijken te morrelen. Dat Agamben steeds vaker geciteerd wordt in de context van kunstbeschouwingen komt niet helemaal onverwacht. Toch: waarom uitgerekend Agamben? Zijn teksten lijken immers vooral voer voor fijnslijpende filosofen.

Een scepticus roept als antwoord dat Agamben binnen kringen van hedendaagse kunst aan populariteit wint omdat hij zo lekker radicaal is. Zijn kernthema's als 'het naakte leven' en 'the coming community' en 'het concentratiekamp als biopolitiek paradigma van de moderne tijd' zijn bovendien zo lekker 'citeerbaar'. Die scepticus heeft misschien niet helemaal ongelijk. Inderdaad lijkt een term als 'het naakte leven' binnen de huidige (politieke en culturele) context eenzelfde aantrekkelijkheid te bezitten als Baudrillards simulacrum tijdens de hoogtijdagen van het postmodernisme. Maar wat als citaat lekker radicaal en begrijpelijk klinkt, blijkt niet zelden in de teksten van Agamben uiterst genuanceerd en soms behoorlijk problematisch te zijn.

Het belang van Agamben voor de politieke filosofie ligt vooral in het feit dat hij er niet voor terugschrikt om de fundamenten van de westerse politieke filosofie opnieuw te doordenken. Die fundamenten (bijvoorbeeld: wat is soevereiniteit, waarop is ze gebaseerd, wat is de reikwijdte van een wet) worden altijd bediscussieerd, maar de discussie is sinds de oorlog in Irak, de gevolgen van 9/11, de unilaterale machtspolitiek van de Verenigde Staten, de problematiek van de vluchtelingen en immigratie urgenter dan ooit. Waarom hebben we een Verenigde Naties? Wat is politiek? Wat bepaalt een groep, een gemeenschap? Wat bindt ons? Aan welke kant staan wij? Niets is vanzelfsprekend. De conservatieve waarden van Balkenende, de doctrine van de neoconservatieven en het benadrukken van het gedachtegoed van de Verlichting door de liberalen zijn er voorbeelden van, evengoed als de voorstellen van de anders-globalisten. Neem daarbij de gevolgen van de technologische vooruitgang waarbij de politiek en wetgeving via de techniek steeds intiemer verwikkeld raken met het menselijk lichaam en het leven, en het beeld is geschetst. Op zo'n moment komt een filosoof gelegen die de zaken radicaal, in de zin van 'bij de wortels beginnend', aanpakt. Zeker voor een kunstcriticus, curator of kunstenaar die zich wil verhouden tot het vraagstuk van de immigratie of het probleem van de soevereiniteit en op zoek is naar tekst.

In The Coming Community (oorspronkelijk 1990, Engelse vertaling uit 1993) probeert Agamben zich voor te stellen hoe een toekomstige (politieke) gemeenschap eruit zal zien. Wie het boekje vanuit dat oogpunt begint te lezen zal worden verrast door een uiterst abstract en dicht betoog. Centraal staat wat in de Engelse vertaling 'whatever singularity' heet. De talmoed, Heidegger, Duns Scotus, Aristoteles, Frege, Russell, Wittgenstein, Robert Walser, Melville's Bartleby en Debords spektakelmaatschappij worden ingeroepen om die 'whatever singularity' te omschrijven. Het lijkt soms meer een kritiek op westerse filosofische categorieën dan een theorie van de band die mensen in de toekomst met elkaar zullen hebben. Toch gaat het uiteindelijk ook daar over. De gemeenschap die komt is namelijk een gemeenschap die gebaseerd is op 'whatever singularity', dat wil zeggen, niet gebaseerd op gedeelde identiteit of gedeelde opvattingen die gerepresenteerd kunnen worden. Zijn voorbeeld uit 1990 was het protest op het Tiannamenplein waarbij er een gemeenschap ontstond die volgens hem geen enkele concrete eis deelde.

Agamben ziet het als de opgave van de filosofie om het begrip 'het leven' opnieuw te denken, aanknopend bij het idee van biopolitiek en biomacht van de late Foucault. In dat kader moet Homo Sacer, de soevereine macht en het naakte leven, gezien worden. Agamben traceert hierin de figuur van de homo sacer, de 'heilige mens' die verbannen is, buiten elke wet staat en wel gedood maar niet geofferd kan worden. Hij schrijft een genealogie van deze figuur waarbij hij ingaat op de ban (de uitsluiting) de wet en de soevereiniteit, waaruit de conclusie volgt dat de ban de oorspronkelijke politieke relatie is. Agamben behandelt het verschil tussen zoe (het naakte leven als zodanig) en bios (het gekwalificeerde leven van de burger) en toont aan dat het niet het politieke lichaam (de bios) is dat onderworpen wordt aan de wet en de politiek, maar dat de soevereine macht het naakte leven als politiek element produceert. Of eenvoudiger gezegd: alles is biopolitiek geworden. Agamben stelt dat het onderscheid tussen zoe (het biologisch leven) en bios (het politiek lichaam) ons voor altijd is ontnomen. Daarom fungeert niet de stad (de polis) als paradigma voor de moderne politiek, zoals bij de Grieken of zelfs nog voor Hannah Arendt, maar het kamp. 'Het kamp dat zich nu stevig in het hart van de stad gevestigd heeft, is de nieuwe biopolitieke nomos van onze planeet' (p. 188). De ruimtes op luchthavens waar illegale immigranten tijdelijk worden vastgehouden, zijn de moderne kampen bij uitstek, daar geldt de uitzonderingssituatie. Agamben stelt: 'In al deze gevallen bakent een ogenschijnlijk onschuldige plaats in werkelijkheid een ruimte af waar de normale orde feitelijk is opgeheven en de mate waarin er wreedheden worden begaan niet afhangt van het recht, maar enkel van het fatsoen en de moraal van de politie die tijdelijk als soeverein optreedt.' (p. 186).

Homo Sacer is een complex boek omdat het een fundamenteel filosofisch punt wil maken. De onderwerpen die in Homo Sacer in samenhang behandeld worden komen ook los terug in de kortere en concretere artikelen die zijn verzameld in Means without an End, Notes on Politics. Daarin vinden we bijvoorbeeld de tekst waarin hij het idee van mensenrechten bekritiseert en de tekst waarin hij de vluchteling, in plaats van de burger met een paspoort, beschouwt als fundament voor de politieke filosofie.

Het naakte leven in het kamp, onderworpen aan het toevallig fatsoen van de politie als het oorspronkelijke beeld van de westerse politiek, denk aan Guatanamo Bay. Eerlijk is eerlijk: zo bekt het lekker, het klinkt radicaal, het daagt uit en het is een enorme luis in de pels van de neoconservatieven. Maar het is de vraag wat we er aan hebben in de politieke praktijk. De analyse van Agamben lijkt eerder te complex en problematisch om vanzelfsprekend verbonden te worden met een reële politieke situatie. Ze is als het ware te transcendentaal, de bemiddeling naar de praktijk ontbreekt. Daarin verschilt Agamben dan ook van bijvoorbeeld de andere Italiaanse filosoof Toni Negri, wiens politiek-filosofische argumenten in het samen met Michael Hardt geschreven Empire, misschien niet altijd even precies zijn, maar Negri wil wel een activistisch politiek punt maken en hij is zich, eufemistisch uitgedrukt, meer bewust van de haken en ogen van de praktische politiek.

Een problematisch punt, voor mij, is ook dat er een discrepantie lijkt te bestaan tussen de aantrekkelijkheid van de samengevatte Agamben en de finesses van de soms bijna mystificerende en zeer dichte denkstijl van de onverkorte Agamben. Zo lijkt het handig om zoe en naakt leven te identificeren, Agamben lijkt het zelf soms ook te doen, terwijl het naakte leven juist een derde term is, in de zin dat het een bios is dat enkel zijn zoe is (p. 200). De verwoording is typisch voor Agamben. In zijn zeer belangrijke opstel over Melville's Bartleby wordt de klerk Bartleby die op elke vraag om werk te verrichten 'I'd prefer not to' antwoordt, het voorbeeld om uit te leggen wat werkelijk potentie is: zowel de mogelijkheid iets te doen als om iets niet te doen waardoor alles mogelijk blijft. In The Coming Community schrijft Agamben dan ook: 'Only a power that is capable of both power and impotence, then, is the supreme power' (p. 36) In dit soort redeneringen, waarvan zijn teksten bol staan, toont Agamben dat hij ergens toch een dialecticus is met een quasi-mystieke inslag.

Ook al is het het lot van samenvattingen om te vereenvoudigen en nuances te missen, en ook al is het doel van filosofie niet om te concluderen maar om te denken, toch lijkt de discrepantie tussen Agamben-for-dummies en Agamben-onverkort iets cruciaals te onthullen. Agamben-for-dummies lijkt direct en praktisch relevant te zijn om onze politieke situatie opnieuw te denken, terwijl Agamben-onverkort zich terugtrekt in, razend interessante, filosofische abstracties die op een tijd-die-komt betrekking hebben. Zijn filosofische argumentaties, dromen en waarschuwingen lenen zich slecht voor praktische toepassing en misschien zijn ze daar ook niet voor bedoeld.

Tegelijk zorgen zijn teksten er wel voor dat je blijft denken en mijn bedenkingen moeten dan ook niet opgevat worden als afwijzing van Agamben, ze staan eerder borg voor een continue herlezing van zijn teksten. Al was het alleen maar om het denken te blijven scherpen, eerlijk gezegd soms ook een beetje zoals bejaarden kruiswoordpuzzels oplossen en zo hun cognitieve vermogens op peil houden.

Literatuur
Giorgio Agamben, Homo Sacer, De soevereine macht en het naakte leven, Boom Parresia, Amsterdam, 2002, ISBN 90 5352 8296.
Giorgio Agamben, The Coming Community, University of Minneapolis Press, Minnesota, Londen, 1993, ISBN 0 8166 2235 3.
Giorgio Agamben, Means without an End, Notes on Politics, Minnesota University Press, Minnesota, 1998
Giorgio Agamben, Bartleby oder die Kontingenz, Merve Verlag, Berlijn, 1998, ISBN 3 88396 146 9.
Giorgio Agamben, 'Het einde van het gedicht', in Parmentier 2002, p. 63-69.

Gepubliceerd in Metropolis M 2003/5
some rights reserved
Arie Altena
index