Recensie van
Matteo Pasquinelli: Animal Spirits

Arie Altena

'Vreemde titel', hoorde ik een paar keer zeggen als reactie op mijn opmerking dat ik bezig was met een recensie van Matteo Pasquinelli's Animal Spirits. Matteo Pasquinelli beweegt zich als activist, organisator en schrijver immers vooral in de nieuwe mediacultuur. Zijn boek -- een verzameling onderling verbonden essays -- is de derde uitgave in de reeks Studies in Network Cultures, die onder redactie staat van Geert Lovink.

Over dieren gaat het boek dan ook niet, noch over de relatie tussen mens en dier, en ook niet over het filosofische concept van het animale van Aristoteles of Agamben -- al wordt die laatste wel meermaals aangehaald. Het onderwerp is de internet- en netwerkcultuur en verschillende daaraan verbonden ideologieën. Zoals het idee dat het internet een vrije cultuur brengt, gebaseerd op vrijwillige samenwerking (met Creative Commons-licenties in plaats van copyright); of het heilige geloof in de zegeningen van marktwerking en zelforganisatie in autonoom groeiende netwerken. Op het denkbeeld van een smetteloos netwerk waarin schone bit en bytes vrij circuleren, wordt een utopie van een nieuwe wereld met een perfect functionerende economie geprojecteerd. Als kritiek op deze richtinggevende ideeën heeft Pasquinelli een 'beestenboek' geschreven dat de 'animale geesten' van die lichaamloze, digitale mediacultuur wil oproepen. Hij ontmaskert het puritanisme van de aanhangers van Free Culture en het digitale neoliberalisme door aan te tonen hoezeer ook de economie en de cultuur van het netwerktijdperk wortelen in een concrete realiteit waar uitbuiting en smerigheid aan de orde van de dag zijn. Onderdeel van dit 'beestenboek' is tevens een kritiek op het enthousiasme dat academische theoretici nog altijd delen voor de Sloveense 'nar' Slavoj Zizek en de puriteinse postmodernist Baudrillard -- wier theorieën volgens Pasquinelli kritisch lijken, maar feitelijk juist alle kritiek onschadelijk maken.

Met zijn Italiaanse, activistische achtergrond lijkt Pasquinelli de geknipte persoon om de digitale mediacultuur aan te laten sluiten op de concrete economische leefwereld. Zijn kritische positie wordt duidelijk als hij stelt dat een herdefinitie van de gemeenschappelijke cultuur (the common) urgent is. Hij vraagt zich af wat er zou gebeuren als de menigte (multitude) in de steden en in de netwerkcultuur werkelijk deel zou gaan nemen aan de productie van waarde -- iets wat nu, ook na de eerste financiële crisis, nog steeds een spel is van de markt en financiële speculaties.

Maar aanvankelijk lijkt Pasquinelli er vooral op uit om een stel metaforen te activeren die een andere conceptualisering van de digitale netwerkcultuur mogelijk maken en de 'animale' geest ervan tonen. Hij behandelt drie domeinen: de digitale netwerken en de Free Culture; de creative industries en creative cities; en ten slotte de wereld van globaal terrorisme en internetpornografie. Hieraan zijn drie opvattingen van de 'commons' verbonden, die worden achtervolgd door de drie conceptuele 'beesten': de bedrijfsparasieten in de vrije netwerkcultuur (IBM dat slim open source gebruikt en verkoopt, Wikipedia en YouTube die leven van gratis werk); de hydra van gentrification door middel van creatieven in de stad (waarmee feitelijk de creativiteit wordt verdreven, Pasquinelli maakt gehakt van de marketingtaal van creatieve steden); en de dubbelkoppige adelaar van macht en verlangen die heerst over het mediarijk van oorlog en pornografie (de echte onderbuik die het internet aandrijft).

Zo vreemd is de titel dus niet. Helemaal niet omdat animal spirit ook de term is die de econoom Keynes gebruikte voor het intuïtieve vertrouwen in de toekomst van de consument. Pasquinelli behandelt deze noties en relateert ze bijvoorbeeld aan de ideeën van Paolo Virno en Batailles theorie van het surplus. Maar voordat je tijd hebt om je af te vragen of er wel echt een verband is, heeft Pasquinelli alweer de volgende theoreticus de revue laten passeren. Van Michel Serres' notie van de parasiet, gaat het naar Deleuze en Guattari's Anti-Oedipus, Foucaults biopolitiek, DeLanda's new materialism, Lawrence Lessig, Yochai Benkler, McKenzie Wark, Giorgio Agamben, Richard Florida, enzovoorts. Soms stuit je daarbij op heldere kritieken, zoals een poging tot het theoretiseren van positieve sabotage of een aardig stuk over Ballard en Baudrillard. Maar de schijnbare theoretische rijkdom komt het betoog niet ten goede, ook niet omdat het, anders dan het onderwerp doet vermoeden, vaak in academische redeneringen blijft hangen.

En precies hier begint de schoen te wringen. Geleidelijk verdwijnt de focus. Steeds is er weer een oproep of uitspraak die instemming opwekt, maar die vervolgens niet echt wordt uitgewerkt. Iets meer sociologie was bijvoorbeeld fijn geweest. Ook de stijl, de grote woorden waarmee het vuurtje steeds wordt opgestookt, gaat irriteren. Zo stelt Pasquinelli aan het begin dat hij met behulp van het concept van een 'energetisch onbewuste' een nieuw politiek terrein voor mediatheorie wil claimen; hij wil 'de Zeitgeist van de biosfeer (energiecrisis, klimaatverandering) incorporeren in de buik van het medialandschap'. In plaats van het netwerk te neutraliseren tot codes en flows, wil hij het definiëren door de externe energie waaraan het zijn bestaan en werking dankt. Dat laatste doet hij vrij overtuigend. Wat het 'energetisch onbewuste' is, blijft mij onduidelijk, of het moet zijn dat de digitale cultuur meestal verzwijgt dat het afhankelijk is van energietoevoer (zowel van mensen als van elektriciteit). Ook de tijdsgeest van de biosfeer komt niet expliciet aan de orde, hoe je die incorporeert in de buik van het medialandschap, en wat dat is, blijft oningevuld.

Het claimen van nieuw politiek terrein voor de mediatheorie ten slotte is de inzet van het boek. Het is een hoge inzet -- Pasquinelli heeft in ieder geval lef. Dat een kritische mediatheorie niet alleen moet focussen op vrije samenwerking en vrije cultuur, maar ook op de manier waarop aandacht, informatie, data, libido en elektriciteit (allemaal vormen van surplus-value) worden samengebracht, daar ben ik het mee eens. Hoe dat moet, weet ik na het lezen van de 240 pagina's alleen nog niet. Het kan zijn dat ik een cruciaal punt mis, maar ik vrees dat Pasquinelli, vol passie, zijn doel voorbijschiet.

Matteo Pasquinelli, Animal Spirits, A Bestiary of the Commons, Institute of Network Cultures/NAi Publishers, Amsterdam/Rotterdam, 2008. ISBN 978-90-566-2663-1

Gepubliceerd in Metropolis M, 2009, No. 3
http://www.metroplism.org
some rights reserved
Arie Altena
index