Arie Altena
index

Boek uit de band – live blog

A live report (in Dutch) from the 'Boek uit de band' conference at the Public Library in Amsterdam, 2012.

If I'm not mistaken, text was published on the website of the Institute of Network Cultures on 12 March 2012, the day of the conference 'Boek uit de band'. It's not online anymore as one text, but it's there in seperate bits, with some editing, published by Silvio Lorusso. See Out of Ink.

Boek uit de band, de Nederlandstalige opvolger van de conferentie ‘The Unbound Book’ (2011), gaat nadrukkelijk over het maken van e-boeken. De praktijk staat centraal: van schrijven, via redactie, productie en distributie tot lezen. De hele keten aan bod. Zo stelt Florian Cramer het in zijn inleiding: niet de utopieën en vergezichten, maar het werkveld van het maken en lezen van e-boeken, hier en nu. Wat kan je nu met het e-boek, als schrijver, redacteur, content engineer, vormgever, lezer, uitgever. Een deel van The Unbound Book-conferentie was wel gewijd aan toekomstvisies, soms (niet zelden...) gaven die een gevoel van deja-vu, omdat de argumenten en ideeën die op z’n minst sinds begin jaren negentig de ronde doen. Boek uit de Band gaat uit van de praktijk van het elektronisch publiceren, nu het e-boek – met een nauwelijks voorstelbare vertraging – een lezersmarkt heeft gevonden. Sinds kort is het lezen van een boek van een scherm ‘normaal’, e-readers vinden een afzetmarkt, consumenten kopen – als we Amazon.com mogen geloven – in grote getale e-books voor op de Kindle (in het geval van Amazon). Het e-boek is gearriveerd bij het grote publiek.

Eigenlijk is het vreemd: muziek en film, respectievelijk mega- en gigabytezwaar, vinden al jaren hun weg naar de consument via het internet. Boeken, die al minstens even lang digitaal worden geproduceerd, en die, zeker als ze alleen uit tekst bestaan al veel langer dan muziek of bewegend beeld makkelijk digitaal gedistribueerd kunnen worden, speelden – tot voor kort – maar een marginale rol op het internet. Boeken online, betekende voor het grote publiek vooral paperbacks kopen bij Amazon of Bol.

Natuurlijk lezen we al jaren en jaren van  het scherm. Maar er is al die tijd maar een verhoudingsgewijs kleine groep geweest die romans en theorie digitaal las – vaak professionals, academici. De digitalisering van muziek en film veroorzaakte een enorme ‘download-praktijk’, die nu heftig bestreden wordt door de industrie, met steeds hardere middelen. (Ze zorgde ook voor het opzetten van soms semi-criminele filehosters die gratis geld verdienden aan de gretigheid van de downloadende consument). In de wereld van het lezen is piraterij een marginaal verschijnsel. Dat wil niet zeggen dat ‘the literary goods’ niet op dezelfde manier verkrijgbaar zijn als de mp3s en avi’s. Maar het heeft tot nu toe weinig blijkbaar impact.

Het e-boek verschijnt in de ogen van de consument pas op het moment dat de iTunes-winkel (Amazon, bol.) volop functioneerde, en op een moment dat de consument er langzaam een beetje aan went om voor digitale content te betalen – bijvoorbeeld voor een app. In de filmwereld en de muziekwereld heeft jaren alleen een semi-illegaal circuit gedraaid, voor het kopen van ‘legale’ mp3s van de grond kwam. Blijft wel de vraag hoe de uitgevers ervoor gaan zorgen dat het met het e-boek niet ‘horribly’ misloopt, zoals in de muziekwereld (zoals Florian Cramer later tijdens de conferentie opmerkte).

Toch nog even over dat woord ‘boek’. Een boek is een bundeling van teksten, tekst in een band. Een boek niet synoniem met ‘codex  (de stapel gebundeld papier). De codex is één verschijningsvorm van het boek. Elke samenbinding van teksten kan een boek zijn. Boek is een abstract begrip, niet een term die staat voor één specifieke fysieke representatie van teksten. Een e-boek is een boek.

Ik hoopte voorafgaand aan de conferentie dat iedereen  voorbij zulk gesteggel over definities zou zijn, voorbij de teloorgang van het fysieke boek. Ik hoopte dat het spook van zo goed als elke discussie over het elektronische boek in de afgelopen twintig jaar uitgebannen zou zijn: de verkeerd begrepen verdwijning van het fysieke boek. Gezien de sprekers nam ik aan dat dat het geval zou zijn. Het was zo. Er werd een enkele keer gerefereerd aan de tactiele ervaring van het gedrukte boek – het feit dat het aanraken van papier prettiger is dan met je vinger over een glad scherm strijken. Petr van Blokland wees er terecht op dat de huidige e-readers qua gebruikerservaring verre van perfect zijn. Maar dat een boek een term is die ook voor digitale tekstbestanden kan worden gebruikt, daar had niemand moeite mee. (Ik heb er niemand over gehoord). Dat er sprake is van een digitale leescultuur, en dat het e-boek een factor is waarmee rekening gehouden moet worden, dat was een uitgangspunt waarover, in het kader van deze conferentie, geen discussie nodig was. Prettig: zo kon de stand van zaken worden opgenomen.

(10:00)

De conferentie vindt plaats in de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Het boekennieuws van de dag zijn de zware betalingsproblemen van Nederlands grootste boekhandelsketen, Selexyz, dat, ondanks de naar eigen zeggen uitstekende verkoop van boeken, een dermate hoge betalingsachterstand heeft dat het surseance van betaling heeft aangevraagd. Directeurs zijn die dag in paniekoverleg met Centraal Boekhuis en naarstig op zoek naar een allerlaatste mogelijke investeerder.

Het openingswoord wordt verricht door de directeur van de OBA, die in zijn verhaal benadrukt dat wanneer de openbare bibliotheek haar functie als informatievoorziening wil blijven spelen, ze toegang moet kunnen geven aan e-boeken. Het model bestaat natuurlijk al lang in de universiteitsbibliotheken – die in de wurggreep liggen van academische publishers die veel te hoge bedragen vragen voor hun digitale content, die daardoor buiten legaal bereik blijft van mogelijke lezers. De plannen van de OBA om via licenties toegang te bieden aan elektronische content, krijgen later in de middag reliëf door de presentatie van Erik-Jan Bulthuis, productmanager digitale diensten van het Centraal Boekhuis. (Hij verving directeur Hans Willem Cortenraad – die met Selexyz om de tafel zat). Bij Centraal Boekhuis ligt al sinds 2009 een complete infrastructuur (met servers en administratie) voor de uitlevering van e-books, die nu ook wordt ingericht op ‘streaming reading’ en op tijdelijke toegang. (Wie een e-boek koopt bij bol.com krijgt deze via de servers van Centraal Boekhuis). De bibliotheek kan aan dat systeem gekoppeld worden, neemt bijvoorbeeld licenties waardoor leden tijdelijk en beperkt legaal toegang krijgen tot een e-boek. (De afrekening zou zelfs naar leestijd kunnen worden gemaakt). Zo’n model kan, denk ik, interessant zijn  en ervoor zorgen dat een hongerig leespubliek, voor wie de aanschaf van e-boeken te duur is, niet zijn heil hoeft te zoeken bij al dan niet illegale torrents. Of zo’n model werkt, hangt af van de prijs.

Na een korte inleiding door Florian Cramer volgen er die ‘pitches’ van spelers uit de mediawereld – de enige drie verhalen van de dag die niet direct praktijkgericht zijn.

Het begint met de enige presentatie van de dag waarover ik me ouderwets en overbodig opwindt: de ‘pitch’ van Willem Vermeend – onder andere voormalig minister van economische zaken, en hoogleraar internet en business. Hij presenteert ‘het boek van de toekomst’, het product dat zijn uitgeverij (Einstein books) maakt, interactieve boeken, met video! en altijd de laatste versie! dankzij automatische updates! instant publishing en met links naar social media! Snelheid! Volledig doorzoekbaar! Dialoog met de lezer mogelijk! Dit wordt de toekomst! Oei. Het wordt enthousiast gebracht alsof het werkelijk gloedjenieuw is, wat ik hoor zijn ideeën en argumenten die al twintig jaar lang voorbijkomen. Het stadium van enthousiasme over het afspelen van een video in een stuk tekst zijn we wat mij betreft al zeker vijftien jaar voorbij. En ik weet niet hoeveel late adaptors er zijn die hem in dit krtiekloos enthousiasme volgen. Goed, het verschil zit ‘m in een het prefab productieproces in 2 weken van tekst tot boek, (ik kan toch al onmiddellijk publiceren als ik dat wil?), en een wereldwijd uitgerold businessmodel gebaseerd op gratis downloads en betaalde updates. Vermeend heeft gelijk dat het boekenvak enorm achterloopt (bang sinds 1994), maar ik betwijfel of hij wel vooroploopt. Vermeend is blijkbaar druk, want verdwijnt en half uur later. 

Bas Savenije, afgestudeerd filosoof, is directeur van de KB en als zodanig betrokken bij Europeana en Open Access. Hij maakt komaf met Umberto Eco’s mening dat het fysieke boek niet zal verdwijnen omdat het net zo’n sterke uitvinding is als het wiel; tekst is als een wiel – de vraag is wat voor voertuig je ermee maakt. Hij benadrukt dat de bibliotheek terug moet naar haar kerntaak, niet het uitlenen van fysieke boeken, maar informatievoorziening en de vorming van het individu. (Daarom moeten bibliotheken een rol spelen in het toegang geven aan Open Access content). Die transformatie van de bibliotheek is niet vanzelfsprekend, maar – zoals Mario Andretti, de Formule 1 coureur iut de jaren zeventig zei: “If everthing is under control, you are driving too slow”.

De derde pitch, of minipresentatie is van Eppo van Nispen tot Sevenaar van het CPNB, dat tot taak heeft om het lezen te stimuleren. Hij zegt redelijk in paniek te zijn vanwege de problemen bij Selexyz, omdat zij goed zijn voor 13 procent van de omzet in de Nederlandse boekenmarkt. Hij geeft veel cijfers – primeurs ook. Hij benadrukt nog eens dat de markt voor het gedrukte boek niet inzakt. Dat Amazon beweert meer e-boeken te verkopen dan hardcovers is, zo zegt hij, ‘een grove leugen’. (Preciezer: een slimme manier van omgang met statistieken en cijfers om de koper te doen geloven dat de e-boeken een enorm succes zijn). Hij gaat in jet-speed door de geschiedenis van tekst en het boek, en herinnert eraan dat de gebruikte techniek consequenties heeft voor het lezen. Hij geeft een primeur weg: de cijfers van het meest recente consumentenonderzoek naar leesgedrag. Kopers van het algemene boek zijn nog steeds vrouwen tussen 30 en 60. Zij zijn opgegroeid met radio, TV, boeken en krant. 96% van  de Nederlanders zit dagelijks op internet. Simultaan televisiekijken, laptoppen en smartphonen is normaal gedrag. 95% kijkt tv, 83% luistert radio, iets minder leest de krant. 12%  van de Nederlanders heeft een e-reader, Nederland heeft bijna 2 miljoen huishoudens met een tablet-computer – de hoogste dichtheid te wereld, maar liefst 20%  gebruikt e-book apps. Boeken lezen van een tablet of e-reader noemt hij de lean-back formule van het lezen. Die is aangekomen bij het grote leespubliek. Kinderen en jongeren zijn gewend om met verschillende mediaformats te werken, en voor de huidige consument maakt het al niet meer uit of een boek digitaal is of een andere vorm heeft. Het boek wordt vloeibaar, Buchverflüssingung, en bijvoorbeeld boeken met een augmented reality laag zullen in de toekomst heel gewoon worden. Wat hem betreft gaat het om de magie van het boek – en het maakt niet zoveel uit in welk medium zich dat afspeelt.

De zaal zit vol met studenten, tussen de 18 en de 24, schat ik. Gemiddeld meer dan twintig jaar jonger dan ik. Bijna twintig jaar geleden begon ik ‘digitaal’ te lezen. Gelukkig zit ook geen enkele van de sprekers ‘vast’ aan het fysieke boek, alle gaan ze al lang uit van een wereld van digitale tekst.

(10:45)

Wie iets wil weten over digitale tekstbehandeling moet te rade gaan in de wereld van de teksteditie. Daar wordt al veel langer dan twintig jaar digitaal gewerkt. Henk Wals van het Huygens Instituut – dat zich onder ander bezighoudt met het maken van definitieve tekstedities van de Nederlandse klassieken – legt uit wat teksteditie inhoudt en toont wat tools waarvan gebruik wordt gemaakt. Tools – zoals ‘e-laborate’ (http://www.e-laborate.nl/nl/). Een XML-tool waarin het tonen van verschillen tussen versies is geautomatiseerd, waarmee simpel online kan worden samengewerkt en online gepubliceerd. Het ziet er jaloersmakend goed en simpel uit, als de schrijf- en redactietool die ik zelf zou willen gebruiken. Bij een presentatie als deze – van een vakgebied dat de naam heeft saai te zijn, een vak van ‘kommaneukers’ – krijg ik de indruk dat daar dagelijks elegant software-gereedschap gebruikt wordt dat superieur is aan de tools die meestal in de ‘grote’ wereld worden gebruikt. Het zijn tools waar redacteurs hun voordeel mee zouden kunnen doen, schrijvers ook, de werkprocessen zouden zoveel prettiger kunnen verlopen. Maar tot deze presentatie kende ik de tool niet. Ook laat zijn presentatie zien dat wanneer tekst op een goede manier als XML is opgeslagen ze in verschillende omgevingen gebruikt kan worden. Om naar buiten te treden maakt het Huygens Instituut websites, zoals de hit met de brieven van Van Gogh (http://vangoghletters.org/vg/) – tevens de offciële teksteditie. Ze is zelfs bezig om de teksteditie van het werk van WF Hermans – uitgegeven door De Bezige Bij – in samenwerking met IBM te ‘porten’ naar Facebook en andere platformen, en te koppelen aan social reading tools.

Wals ziet een toekomst waarin tekstedities gedistribueerd beschikbaar zijn – opgeslagen op een server in een repository. Daaraan kunnen annotaties (als linked data) worden toegevoegd. Zo functioneert de teksteditie als een attractor voor kennis, kan gebruikt worden door onderwijsapplicaties, en zelfs voor games of voor social reading omgevingen. Downloaden als als epub of audiobook – beide weer op dezelfde XML gebaseerd – is slechts de simpelste vorm van distributie. Natuurlijk kan er bia POD een papieren boek besteld worden. Met andere woorden hij ziet een toekomst zonder monolieten, een toekomst van combinaties tussen data (in XML) en API’s die door verschillende instellingen worden ontwikkeld en in verschillende configuraties worden opgeroepen.

Dat zou ook een efficiënte manier zijn om tekst te conserveren en tegelijk te verrijken en verspreiden. Dat dient het onderzoek, de lezers en het onderwijs – en je maakt zelfs gebruik van de kennis van de lezers (via annotaties bijvoorbeeld). (Je kunt het zelfs gebruiken in Role Playing Games). De teksteditie is al lang ut de band – en heeft een spannende toekomst. Ik zou zeggen: het model waarmee zij werken is het model met de meeste toekomst. Of die ook op deze manier wordt gerealiseerd – buiten de wereld van de teksteditie? Ik hoop het.

(11:05)

Dan spreken de schrijvers. Tonnus Oosterhoff zegt dat hij zich ouderwets voelt na de vorig sprekers. Terwijl zijn poëzie dikwijls als cutting edge wordt ervaren. Hij vindt zijn poëzie niet ouderwets, niet cutting edge. Hij maakt dan wel geanimeerde poëzie en gebruikt wat mogelijkheden van de computer – reden waarom hij voor cutting edge doorgaat – maar hij vindt dat hij technisch gezien nogal lo-tech bezig is. In een gedicht, als ‘dans van betekenis en concepten’, doet elk element er toe – en de lezer gaat daar van uit. Woorden als basismateriaal, klank, klankomgeving, typografie, visuele verschijning. Zoals in BOEM Paukeslag van Van Ostaijen en Un coup de dés n’abolira jamais l’hasard van Mallarmé, probeert Oosterhoff met visuele middelen iets te weeg te brengen in de hoofden van lezers. Het schrijven voor computerscherm en internet begon simpel met ideeën die hij op op de computer zou kunnen realiseren, en niet op papier. Dingen die je met taal kunt doen. Door met Flash te werken kon hij het verglijden van de tijd voor de lezer dirigeren, het tempo dirigeren. De geanimeerde gedichten (zie www.tonnusoosterhoff.nl) schrijft hij onmiddellijk in Flash. Een psychologisch effect – een kortsluitingetje van een soort waarvan hij houdt (de hersenen op het verkeerde been zetten) is door eerst ‘ik’ te projecten en dan ‘droom’, waardoor je een stellende zin verwacht, maar er volgt  een vragende: ik /droom / droom ik... Je hersenen hebben dan een langere verwerkingstijd nodig,  er is een esthetisch effect (dat ook te meten valt). Een schrijver wil immers het hoofd van de lezer bezetten  – hij hoopt dat op deze wijze synapsen naar elkaar buigen...

(11:30)

Het belangrijkste uit het verhaal van de Amerikaanse schrijver Mark Staniforth – zelf afwezig wegens ziekte – is deze vaststelling: “There need not be a choice between physical or electronic books, or even between conventional or self-publishing: the two can co-exist to the mutual benefit of each other. E-books give the author an opportunity to test new work, to devise his own promotional campaigns, to shape his own career; a conventional publishing deal that might arise from his success is a bonus, but the e-book model is now advanced enough that it need not be seen as the over-riding aspiration.’ Wat problematisch vind ik zijn voorzichtige stelling dat korte verhalen wel eens specifiek geschikt zouden kunnen zijn voor e-readers. Ja, misschien omdat, zoals hij stelt, korte verhalen slecht aan uitgevers zijn te verkopen, maar niet omdat e-readers (lezers) meer ‘time conscious’ zouden zijn dan lezers van drukwerk.

(11:37)

Sidney Volmer  (http://vollmer.nl/) is een Nederlandse auteur uit de savvy-internetgeneratie. Vooraf schatte ik hem in als iemand die slim alle tools gebruikt, twitter, facebook, blogs en dat media-amalgaan goed bespeelt om de aandacht voor zijn teksten te focussen. Hij heeft een achtergrond als filmmaker en noemt zichzelfl liever verhalenverteller dan schrijver, precies omdat hij verschillende media bespeelt. Zijn presentatie verrast me, in positieve zin. Hij spreekt over zijn debuut Alles smaakt naar chocolade, dat ook is verschenen als speciaal ontwikkelde bookapp. Een toegankelijk literair verhaal, maar wel met gebruik van ‘non-invasieve zelfreflectiviteit, meta-modernisme en intertextualiteit’, verschillende tekstsoorten en veel referenties, omdat dat karakteristiek is voor het chaotische medialandschap van zijn hoofdpersoon. Ik heb het niet gelezen, maar werd getroffen door het oprechte verlangen van Volmer om heel dicht bij zijn lezers te komen. De bookapp ontwikkelde hij (met de programmeurs van Codeazur en de vormgevers van Buutvrij) om lezers te bereiken en om dichter bij hen te komen – hij heeft het over de transparantie van de constructie van de auteur en de benaderbaarheid. Hij vindt het belangrijk om te tonen hoe het verhaal geconstrueerd wordt – niet, zoals wel in postmoderne romans gebeurde, om de kunstmatigheid te tonen en de vervreemding te benadrukken (dat zijn mijn woorden) – maar om ervoor te zorgen dat de lezer dichter bij het verhaal komt. Hij stelt dat lezers willen weten hoe een boek gemaakt wordt, hoe het in elkaar zit, hoe het tot stand komt. Dat is volgens hem een van de consequenties van de opkomst van social media, van ons internet en mediagebruik. Hij bedoelt enerzijds dat lezers willen weten wie de schrijver is, wat hij zoals doet als hij schrijft – een kijkje in het privéleven – maar ik denk dat hij het wel degelijk ook bedoelt op het niveau van de constructie van het verhaal. (Later reageert Oosterhoffs op Volmer’s idee dat de auteur in de toekomst nog aanweziger en transparanter wordt, met de opmerking dat hij liever nog obscuurder wil worden, minder aanwezig: de schrijver maakt de openingen en mogelijkheden, de spits scoort.)

Volmer is zelf uiterst ambigu over zijn bookapp, en leest zelf eigenlijk niet van e-readers. Hij wil wel mee met de beweging van het e-boek, inspelen op de veranderende mediagedragingen van de hedendaagse lezer. Hij kijkt vooruit naar Augmented Reality. De e-reader nu doet hem denken aan een oude gameboy – dat is, volgens hem ongeveer waar we nu in de ontwikkeling zitten.

Zijn bookapp – heeft een digitale ‘boekenlegger’ met directe links naar het audiobook, naar samenvattingen en naar de twitter en facebookpagina’s van hemzelf. Hoe meer je leest en doorklikt, hoe complexer het boek wordt. Ambigu is hij er ook over vanwege de kosten en de tijd die het hem heeft gekost. De kosten waren ongeveer 40.000 euro – al was het in praktijk ‘liefdewerk oud papier’. Recensies in kranten leverden geen enkele verkoop op, maar een recensie op een ipad-pagina leverde 4 dagen plaats nummer 1 in de verkoop op. 

De softwareontwikkeling was te ondoorzichtig voor hemzelf, hij zou graag een open source tool willen (en de bookapp zelf kunnen schrijven). Andere problemen die hij onderkent is dat het maar voor één platform is ontwikkeld. Voor zijn eigen gevoel is het te duur is – 7,99, tegen een gevoelsprijs van 2,49 –, en het verdienmodel is zeer onduidelijk. (Hij gelooft in toegang tot content, niet in eigendom van content). Zelfs voor een bestseller is het moeilijk winstgevend te maken. Ten slotte ziet hij een enorm ruisgevaar voor zichzelf: hij wil zijn tweede boek schrijven, maar ook dit boek in de lucht houden en is dus bezig met lezersvragen over zijn eerste boek, en dat terwijl het social media aspect van de bookapp weinig toegevoegde waarde bleek te hebben.

(13:30)

Document-engineering is een nieuw werkveld. Het gaat over e-pubs als standaardformaat voor e-books, over hybrides van database en tekstbestanden, tekstbestanden en vormgeving. Het bestrijkt en verandert het hele veld van de uitgeverij. Vormgevers, die specialist zijn voor epub, zijn er zo goed als niet in Nederland. De specialist in Nederland verwijst voor epub door naar hun partner in India...  De eerst presentatie in dit blokje van de conferentie is van de wetenschappelijke uitgeverij Brill (geven 600 boeken per jaar uit, bijna alle ook elektronisch, 150 tijdschriften met 550 nummers, 20 delen van naslagwerken). Zij zijn content-processing engineers, zij zijn de voorlopers van het elektronisch uitgeven. Brill heeft ook een eigen font ontwikkeld, met eigen letters voor de vele charactersets die zij in hun wetenschappelijke uitgaves gebruiken. Het Brillfont doet bijvoorbeeld ook extreme diacrieten correct (http://www.brill.nl/news/brill-typeface).

Opvallend is dat bij Brill toch nog steeds de PDF centraal staat, zoals Hans Havekes laat zien in zijn uitleg van het proces van kopij naar elektronische uitgave. De afgeleide formaten zijn bijvoorbeeld webready PDFSs en XML, en de uitleverformaten die erbij horen, Offset, POD, ebook vendor, brillonline, epub. Dat zijn nog maar net met XML bezig zijn intrigeert me – zeker als je nagaat dat XML al jaren centraal staat voor het Huygens Instituut.

Hij signaleert de problemen met epub. Op zich is de epub standaard geen probleem, maar het probleem ligt in de vertaling ervan door de verschillende platforms die ieder de epub op een eigen manier interpreteren. Adobe Digital Editions geeft bijvoorbeeld karakters verkeerd weer. Ook lay-out gaat niet goed, zelfs simpele lay-out van gedichten... Er zijn problemen met de leesrichting (Hebreeuwse tekst wordt in Adobe Digital Editions gespiegeld). Het probleem ligt steeds bij de software op de ipad of de e-reader, Firefox verwerkt dezelfde XML wel goed.

Havekes toont aan het einde de sheet met de XML-workflow, met een XML database, DTD’s, en stylesheets voor de verschillende uitvoeringsformaten. Dat schema gebruikte ik in 1999 in mijn lessen ‘Schrijven voor het web’. Het leek zo logisch, het verwarde mensen toch.

Jacob Molenaar stelt ‘epub is like the web in 1996.’ (Dat constateerde vormgeefster Zsa Zsa Linneman – vroeger bij Mediamatic collega, ik sprak haar tijdens de conferentie – ook tot haar verbijstering tijdens de workshop epub. Ze dacht dat haar kennis roestig was, maar werd ook geconfronteerd met een situatie die exact leek op webdesign anno 1996 en wist bij wijze van spreken binnen 2 uur alles wat er te weten zou moeten zijn). Epub is primitief, je kunt weinig met vormgeving en controle van je pagina. Molenaar verwijst naar de browser-oorlogen van de jaren negentig, en zegt: we zijn met e-books helemaal terug op dat moment. iBook, Kindle, epub 2.0 of 3.0, HTML5, of XML? En apps zijn de Flashsites van 1998. (Denk ik). Epub is een simpele standaard voor e-books, dat XHMTL, CSS , inhoudsopgave, en Dublin Core (metadata) gebruikt. Simpel. Mobi is niet meer dan een extra envelop om de epub, zodat het (alleen) op een Kindle werkt. Apple zet 1 commando in het epub bestand waardoor het enkel te lezen is op een Apple-product. Molenaar stelde dat uitgevers content-management (met dingen als DITA, XML en mediumonafhankelijkheid) lastig vinden. Ze denken, zegt Molenaar, nog in prepress, terwijl van content uit moeten gaan om te voorkomen dat ze verschillende productielijnen opzetten voor verschillende uitvoerformaten (met allerlei conversieproblemen). Niet in publicaties denken, maar in ‘content’ – denken in termen van losse elementen, die je als losse elementen opslaat die je kunt aanroepen.

En ik, ik dacht dat we die sprong al lang was gemaakt. Modeleren van content en moduleren van content (om het maar zo te zeggen), dat is toch al lang de kern?Dat ik dat zelf niet altijd weet toe te passen onder de tijdsdruk om een boek of programmaboekje voor Sonic Acts te maken is één ding, maar grote uitgevers volgen toch wel zo’n workflow?

(14:30)

In het door Florian Cramer geleide gesprek met de vormgevers Megan Hoogeboom, Aymeric Mansouc en Petr van Blokland, is het Petr van Blokland die hamert op het belang van duurzame opslag. Dat houdt simpelweg in dat je je moet houden aan de strikte en totale scheiding tussen tussen structuur en presentatie (vormgeving) tussen inhoud  en techniek. Zelf scheidt hij dat al jaren bijna religieus: informatie bestaat maar één keer, is gestructureerd in XML. Hoe die informatie wordt gepresenteerd wordt bepaald door stylesheets voor een specifiek uitvoer. Het is de ideologie van XML (en SGML), het zou altijd de  technische basis van elektronisch publiceren moeten zijn, en het is de enige manier om informatie duurzaam op te slaan – voor hergebruik, in toekomstige media-omgevingen waarvan de features nu nog niet bekend zijn, mits je je houdt aan gedefinieerde standaarden. Het mag logisch zijn, toch werken niet veel ontwerpers zoals Van Blokland: structuur ontwerpen waarbij je (nog) niet weet hoe je die gestructureerde informatie afbeeldt. In zijn praktijk vervalt het verschil tussen grafische vormgeving en media-ontwerp. Een vormgever is iemand die templates maakt in dit proces. InDesign is voor die werkwijze waardeloos. Van Blokland programmeert al jaren zijn eigen tools – vormgeven is coding geworden. Gooi Indesign weg.

Voor wie de split tussen structuur en vormgeving – voorgeschreven door de techniek accepteert is dit de enige weg. Wie anders werkt, haalt zich in een digitale omgeving problemen op de hals. (Ik stel me voor dat iedere redacteur dat weet..., en ik denk zelf ‘had ik maar..., want ik wist het wel’). De praktijk van samenwerken met anderen is echter altijd lastiger.

Ik ken maar één fundamenteel argument tegen deze ideologie: namelijk dat betekenis en vormgeving samenhangen, dat er geen ‘informatiestructuur’ bestaat die voorafgaat aan de presentatie van tekst. Dat is een filosofisch argument dat nauwelijks standhoudt tegen het ‘gelijk’ van de XML-ideologie. Florian Cramer probeert het argument in de discussie te brengen, maar dat komt niet van de grond – zelfs voor een visueel gedicht als BOEM Paukeslag gaat de scheiding op. Ook al raakt het daar aan de grens: voor een duurzame opslag moet de definitie van de structuur zo precies (uitgebreid en complex) zijn dat het de visuele vorm voor verschillende ‘uitvoeringen’ fixeert. Zou je alleen een simpele structuur definiëren, dan sla je niet het gedicht op, maar een beperkte vorm ervan. (Voor bijvoorbeeld een Shakesperiaans sonnet ligt dat heel anders, daarvoor heeft het TEI al jaren geleden een XML-format en DTD gedefinieerd). Zo ver komt de discussie overigens niet.

Megan Hoogeboom maakte voor de SONY e-reader een bewerking van BOEM Paukeslag en moest daarvoor behoorlijk in de slag met de software en de codering van de e-reader. Het resultaat maakt gebruik van een aantal specifieke kenmerken van die e-reader – op een Kindle ziet het er niet uit. Hoewel in eerste instantie frustrerend is ze achteraf heel positief over de manier waarop de techniek haar dwong tot creativiteit. Het stelt een uitdaging en is een manier om tot nieuwe resultaten te komen. Daarmee is wel de mediumspecificiteit terug in het verhaal – waar XML juist een strikte mediumneutraliteit voor staat.

De derde vormgever in het gesprek is Aymeric Mansoux – programmerend ontwerper en uitgesproken voorstander van het gebruik van open source software. Hij mist de ‘dirt’ in de epub-wereld. Op zich is er niets mis met de standaard, het is simpel, maar er is geen creatieve explosie in de wereld van de epub. Geen DIY en ‘dirt’, zoals in de diskettemagazines uit de demoscene, of de allereerste websites en netart. Hij heeft volledig gelijk – maar ik vraag me af wat voor ‘dirt’ je zou moeten verwachten: als technologie is epub zo spannend als HTML 1.0. Al zou wat ‘dirt’ de wereld van de e-readers geen slecht doen.

En Mansoux bedoelt nadrukkelijk niet de ‘dirt’ van de piraterij en de torrents met duizenden e-books, niet de ‘dirty’ digitale leescultuur van handgescande boeken (inclusief onderstreping en opmerkingen in de marge), die ter download staan in de semi-illegale online ‘archieven’.

Maar alledrie de vormgevers zijn het er over eens: wie wil ontwerpen moet coderen. Dat het onderwijs wat dat betreft achterloopt: dat gaat volgens Van Blokland vanzelf over: de niet coderende ontwerper sterft uit. Dat nu bij grafisch ontwerp op de kunstacademie het drukwerk een fetish is: gaat vanzelf over. (Daarmee kom je niet aan de ‘bak’). Hij merkt wel op dat het jammer is dat er zo weinig ontwerpers zijn die zich bezighouden met de ondermaatse typografie van de epubs en presentatie ervan op e-readers.

Florian Cramer probeert nog wat tegenwicht te geven tegen het gelijk van Van Blokland door te suggereren dat we naar een toekomst gaan waarin het simpele ontwerp wordt gedaan door document-engineers, en de grafisch vormgevers de mooie klusjes van het maken van het luxe full colour offset doen. Van Blokland reageert daarop met de opmerking dat als dat de strategie van een uitgever is, deze een achterhoedegevecht levert.

Cramer maakt tegen het einde de opmerking dat een groot verschil tussen deze conferentie en die van vorig jaar (The Unbound Book) is, dat in 2011 het e-boek werd gevierd als een verrijking van het boek, terwijl nu iedereen spreekt over epubs, geen verrijkte boeken, maar poor mans books, simpele boeken.

Precies dat simpele e-boek heeft zijn weg naar de lezer gevonden. Je kunt dat, denk ik, zien als de late, de onbegrijpelijk late aankomst van een digitale leescultuur in een van technologie vergeven samenleving. En dat is een spannend gegeven.

(16:00)

De commerciële verhalen over het bereiken van de consument komen van Erik Jan Bulthuis, product manager e-boeks van het Centraal Boekhuis en Pieter Swinkels (ex Bezige Bij) van Kobo, de e-reader met touch-screen. Een kritische kijk moet je niet verwachten in zulke presentaties. Maar aangezien ik nauwelijks heb bijgehouden wat het CB precies doet en wat Kobo biedt, levert het in ieder geval een beetje kennis op. Bijvoorbeeld dat het CB bezig is met het faciliteren van streaming reading en verhuur van e-boeken – waardoor ze ook een partner zouden kunnen worden van openbare bibliotheken, of evengoed, de iTuneswinkel. De infrastructuur, inclusief administratie en verslaglegging is er al. Een uitgever plaats eenmalig een bestand bij het CB, dat het bestand naar verschillende aanbieders doorlevert. Bezit van ebooks verschuift naar toegang. Zo, en dat is interessant, of problematisch, kan het CB de een centrale repository voor e-books worden. Hoe zich de positie van het CB zich verhoudt tot de KB, Europeana, of tot Google, daarover wordt niet gerept. Wel wordt gerefereerd aan het belang van een goede prijsstelling. 2,99 als goeie prijs voor self-published e-boeken, 7 tot 13 euro voor boeken van uitgevers (groot en klein). Het zijn prijzen die Swinkels noemt. Maar wat een goede prijs is voor de verhuur van boeken (uitlenen noemen we dat al heel lang) – dat weten we absoluut niet. Wat kost een maand toegang, wat kost een uur leesduur? Ik denk dat het antwoord gevonden kan worden in de prijs van een abonnement van de openbare bibliotheek: zo’n 30 euro op jaarbasis voor volwassenen. Kinderen gratis. Maar of dat is wat men hier in het hoofd heeft? Misschien denkt men aan de prijs van het uitlenen van een DVD (in Amsterdam 1 euro per week – ook voor een 4 DVD-box, bovenop de abonnementsprijs), maar een e-boek lijkt me aanmerkelijk minder waard dan een DVD...

Eric Swinkels geeft op zijn beurt een overzicht van de aanpak van Kobo. Een bij Kobo aangeschaft boek kan op alle apparaten afgespeeld worden (anders dan de Amazon’s Kindle-bestanden), ze zitten volledig in de cloud, en Kobo synchroniseert tussen de platforms. Kobo zet in op social reading: het lezen van boeken met anderen staat centraal, en de social reading tools en comunity is volledig geïntegreerd. Niets daarvan is per se nieuw (de tools heb ik allemaal al eens in andere software of communities gezien), maar de bundeling van al deze features creëert blijkbaar op dit moment een markt. En, het moet gezegd, vergeleken met Amazon, Bol, of het gedoe met bookapps, komt Kobo een stuk aantrekkelijker over. Ze hebben 7 miljoen gebruikers, 2,5 miljoen titels en 9 ‘storefronts’ in 9 verschillende landen. (Swinkels meldt ook trots dat ze zojuist zijn overgenomen door Rakuten – een Japans investeerder. Ik begrijp dat dat veel financiële armslag oplevert, maar ik begrijp de trots erover nooit zo goed. Alsof het toch alleen om financieel gewin zou gaan. Maar goed Selexyz mocht willen dat een Japanse investeerder haar komt redden). In Nederland werken ze samen met de Libris-winkels.

Hoe commercieel Swinkels praatje ook is, ik geloof best dat hij echt van lezen houdt, en dat hij het lezen van goede boeken wil stimuleren. De social reading tools proberen de lezers aan te zetten tot meer lezen, en hun eigen onderzoek suggereert dat  mensen die de social media tools van Kobo gebruiken 30% meer gaan lezen, vergeleken met de niet-gebruikers. Of dat werkelijk wat zegt is de vraag.

Bulthuis van het Centraal Boekhuis merkt dan resoluut op: ‘boeken lezen kan een lifestyle worden – daar ligt een markt’. (Waarbij ik denk: was het niet al lang een lifestyle, of nee, veel meer dan dat? Wat ga je missen als je volledig in dergelijke termen gaat denken? Lezen als lifestyle, in plaats van lezen als manier om de wereld te begrijpen?)

(17:00 laatste sessie)

Omdat Adriaan van der Weel ziek is geeft Joost Kircz al afsluiting een korte presentatie over Lezen en Geletterdheid. Hij geeft een overview van verschillende vormen van lezen, en verschillende genres van boeken, verschillende leesmateriaal, en merkt op dat elektronische leeromgevingen nog altijd in ontwikkeling zijn en studenten houden nog steeds van papier, (zie eboekenstad.nl). Hij benadrukt in feite dat het e-boek en de digitale leescultuur nog lang niet zijn wat ze zouden kunnen zijn. De ergonomie van de e-readers is voor studeren nog lang niet voldoende goed. Wat nog te doen valt is leren (onderzoeken) hoe we lezen, dat leert hoe elektronische boeken vorm te geven. Nog steeds weten we eigenlijk vrij weinig over het verschil – als dat er is – tussen lezen van een gedrukt boek en lezen van het scherm, nog minder over wat lezen precies is (Kircz haalt Maryanne Wolf’s Proust and the Squid aan). Ook zijn presentatie benadrukt dat, na technische manuals en telefoonboeken (en ander informatie die al lang niet meer wordt gedrukt), nu ook het mass-produced poor-mans-book (de paperback, de pocket) de weg vindt naar het digitale, terwijl er op andere gebieden nog heel veel moet gebeuren.

De conferentie valt voor mij positief uit omdat het over heel pragmatische zaken gaat. Geen toekomstperspectieven. maar een opname van de stand van zaken. Ook al zijn er ook deze dag genoeg sprekers en vragenstellers die zeggen dat de technologie zich steeds sneller ontwikkelt. Dat klinkt als een reflex, als je het mij vraagt gaan de ontwikkelingen op het internet helemaal niet meer zo snel als een paar jaar geleden (e-readers en tablets zijn geen nieuwe ontwikkeling, wel nieuwe apparaten, en ja, de verspreiding ervan verandert het gebruik van technologie. De opkomst van de epub en het e-boek gaat het juist over een wereld waarin de technologie – uitgezonderd de e-readers dan – zo goed als uitontwikkeld is. Die technologie stuit nu eindelijk door een samenspel van factoren – met een enorme vertraging – op een gat in de markt (gemaakt door de ontdekking van het e-readen door een groot contingent lezers. Het is technisch lo-tech, en ook al zijn er lastige dingen als goede ‘cross-platform’ typografie, er zijn geen adembenemende vergezichten, eerder een bekende wereld van mensen verdiept in een boek

Al vraag ik me wel af waar die 2 miljoen tablet-PC’s in Nederland zijn, of al die e-readers. Tegen één lezer van een e-boek op een e-reader zie ik in de trein meerdere mensen film kijken op hun laptop, (degene die tikken tellen niet mee, die zijn aan het werk), meerdere die gamen op een Nintendo, om te zwijgen van getwitter en ge-SMS via smartphones.

some rights reserved
Arie Altena
index