Neurofysiologie van de poëzie

Arie Altena

“The poetics of such a situation / are yet to be found out.”
(Charles Olson: A Later Note on Letter #15)

I heeft het lezen van moderne poëzie zin?
Wat is poëzie en waarom doet ze er toe? Heeft het lezen van poëzie een functie, een zin die uitstijgt boven het begeleiden van intensieve levensmomenten (gelegenheidsverzen) en intellectuele vermaak voor woordfetisjisten? Waarom zou iemand juist in een post-industrieële wereld, anno 1999, moderne poëzie moeten lezen? Ontwerp een theorie: een verdediging van de poëzie, een bewijs dat het lezen van moderne gedichten zinnig is. Zo’n theorie zal het heden moeten omarmen. Wordt dat niet gedaan, dan komt het lezen van poëzie buiten spel te staan. Dan wordt poëzie lezen tijdverdrijf, versjes voor op de WC, of erger, privé-terrein van wormstekige Wordsworth-kenners achter hun leestafels in half-verduisterde studeerkamers. Omarmen van het heden, dat is poëzie lezen niet beschouwen als het moment van “eindelijk tot jezelf komen”, niet als het plekje dat met hand en tand verdedigd wordt tegen de harde wereld, dat is poëzie lezen beschouwen als integraal onderdeel van de dagdagelijkse wereld, als element in de strijd.

Men kan zich natuurlijk afvragen of er wel een rol is weggelegd voor de poëzie. Er bestaan immers effectievere manieren van tekstcommunicatie, en het is niet moeilijk om een vorm van communicatie voor te stellen die hetzelfde effect teweeg brengt als poëzie, maar dan met andere middelen: audiovisuele, interactieve, of beter nog, chemische. Is het toch mogelijk dat in onze post-industrieële wereld de poëzie eindelijk in volle glorie verschijnt? Dat er juist nu toekomst is voor de poëzie bijvoorbeeld omdat voor wie nu leeft poëzie eenvoudig en onmiddellijk te begrijpen is (de poëzie met zijn multidimensionaliteit, de lezer gedrilld door reclameboodschappen, double entendres, snel gesneden films en het vermengen van taalregisters); omdat poëzie een vorm van taalgebruik is die overeenkomsten vertoont met de structuur van de ervaring van de huidige wereld?

II metaforen en populair-wetenschappelijke verklaringsmodellen
De wereld van de consumerende westerling: kicken op de half-pipe, euforie om een voetbaloverwinning, misselijkheid na een avondje zappen, een roes na de beklimming van de Izoard. Dat is de kern, daar gaat het om: kicken. Wij leven in een drugscultuur - of we nu drugs gebruiken of niet. We sporten omdat we verslaafd zijn aan endorfinen of adrenaline. Je gelukkig voelen of depressief zijn is een kwestie van neurotransmitters. Een psychische kwaal wordt uitgeschakeld door de juiste pillen en er zijn smart drugs die je hersencapaciteit vergroten zodat je intelligenter wordt.

Of, preciezer omschreven: we leven in een wereld waarin gedragingen en gedachten van mensen beschreven en verklaard worden binnen een strikt materialistisch, biologisch model. Ons wordt getoond dat wetenschap bewezen heeft dat gedrag en ervaring op chemische wijze gereguleerd kunnen worden (sla de krant er maar op na). Binnen zo’n verklaringsmodel is het mogelijk om elke gebeurtenis, zoals ze ervaren wordt door een levend wezen met zintuigen, te beschrijven in termen van de overdracht van een impuls aan zenuwcellen. De zenuwcellen geven de impuls door aan de hersenen, die op hun beurt niet anders zijn dan een instabiel, aan constante verandering onderhevig netwerk van communicerende cellen.

Van macro- tot microniveau, van sociale relaties tot de structuur van een atoom: overal heerst de netwerkmetafoor. De netwerkmetafoor is zo goed als constitutief voor het hedendaagse wereldbeeld - je zou bijna geneigd zijn het te vergelijken met de Voorzienigheid van de Middeleeuwen. Netwerken en processen, die zich in de netwerken afspelen, zijn favoriete concepten om bijvoorbeeld sociale en economische structuren te begrijpen. We spreken over sociale netwerken, computernetwerken en de netwerkeconomie. Zulke netwerken veranderen constant door nieuwe input of door autonome processen die zich in het netwerk afspelen. Deze constante verandering maken het netwerk feitelijk instabiel. Het zenuwstelsel en de hersenen, de interactie tussen zenuwstelsel, hersenen, lichaam en zintuigen, ze zijn op te vatten als instabiele netwerken.

Het is precies de instabiliteit van de netwerken die verandering, aanpassing en evolutie mogelijk maakt. De instabiliteit waarborgt daarmee het voortbestaan van het netwerk. Alles is een proces, alles beweegt, alles is aan continue verandering onderhevig. Deze ‘ideologie’ leert dat alleen door verandering ontwikkeling mogelijk is, alleen door aanpassing overleving. De processen zijn verbonden, beïnvloeden elkaar. Alles staat met alles in contact. Zonder proces is er geen voortbestaan.

Behalve door netwerken en processen worden het culturele en wetenschappelijke circuit ook hevig gefascineerd door het virus. Niet alleen door reëel bestaande biologische virussen of computervirussen. Het idee dat stukjes cultuur - versregels, melodieën, een idee - , zich feitelijk gedragen als een virus is inmiddels een cliché geworden waaraan ook gerenommeerde filosofen en cultuurcritici zich vergrijpen. De metafoor van het culturele virus (of de “meme” om Dawkins’ en de internet-terminologie te gebruiken) is hangt samen met de netwerkmetafoor in zoverre dat een virus zich verspreiden kan als er uitwisseling is in een netwerk.
Processen, communicatie, netwerken, virussen en de alomtegenwoordigheid van biologische verklaringen: kenmerken van deze tijd. Na de eeuw van de mechanisatie en het tijdperk van de automatisering zijn we aangeland in de epoche van de neo-biologie, neurofysiologie en gentechnologie. Aan wie hebben we dat te danken? Aan het voortschrijden van de wetenschap allicht en aan de populair-wetenschappelijke verklaringen van Dawkins, Deleuze & Guattari, de Kevin Kelly’s en Stuart Kauffmannen, die doorgegeven worden in wetenschapsbijlagen en door trendwatchers als Douglas Rushkoff. We hebben het ook te danken aan het niet meer uit te vlakken en geradicaliseerde inzicht dat iedereen met iedereen en alles met alles verbonden is, al is het door nog zo’n dun draadje, een inzicht dat niet vreemd is aan de ecologie. En natuurlijk hebben we het te danken aan de communicatietechnologische ontwikkelingen, niet in het minst de opkomst van het Internet. En was het Internet niet het mooiste voorbeeld van zelforganisatie?

III waarin de gids voorgesteld en in het heden geplaatst wordt
Wie de poëzietheorie wil aansluiten op de wereld doet er goed aan pragmatisch te werk te gaan. Je wilt immers gelijk krijgen, dat wil zeggen overeenstemmen met de heersende verklaringspatronen. De beste strategie is de metaforen en zienswijzen die de wereld kenmerken overnemen en ombuigen in het voordeel van het veld dat je wilt verdedigen. Bij die onderneming kan het nuttig zijn een gids in dienst te nemen. Een gids van wie je verwacht dat hij bekend is met het terrein en er een blik op heeft die nieuwe ideeën oplevert; niet een gids met wie je het van tevoren eens bent, want die zal je ergens heen leiden waar je wilt zijn en je iets tonen dat bekend is, al heb je het nooit eerder gezien. Onze gids: een kenner van taal (want we hebben het over poëzie), een “pseudo”-wetenschapper (vanwege de populair-wetenschappelijke ideeën die in omloop zijn), een maatschappelijk-betrokkene (want we willen aantonen dat het lezen van poëzie zinvol is binnen de samenleving): Inspecteur Lee van de Nova Politie, alias William S. Burroughs.

William S. Burroughs, Amerikaans schrijver (1914-1997) en wereldberoemd specialist afkicken, wilde de mens bevrijden van elke vorm van afhankelijkheid. Zijn doel was vrij te zijn van alle beperkende invloeden om de wijdsheid en de onbegrensde mogelijkheden van een ongecensureerde werkelijkheid te ervaren. Drugs, TV, massamedia: volgens Burroughs zijn het wezensvreemde agenten die de waarneming van de werkelijkheid bepalen en de mens het zicht op zijn mogelijkheden ontnemen. Hij voert een strijd tegen mogelijkheidsbeperkende elementen. (Drugs, overigens, kunnen een wapen zijn in die strijd). Al zijn werk uit de jaren zestig staat in dat teken: “Prisoners of the Earth, come out. With your help we can occupy the Reality Studio and retake their universe of Fear Death and Monopoly.”

Inspecteur Lee is één van Burroughs’ alter ego’s en een hoofdpersoon in diens Nova Trilogie. In The Soft Machine (1961), The Ticket that Exploded, (1962) en Nova Express, (1964) wordt de “theorie” uiteengezet dat taal een virus from outer space is. De metafoor “taal is een virus” werd Burroughs’ handelsmerk, zijn logo voor de subculturele organisatie die zich ten doel stelt machtsstructuren en de maatschappelijke beperkingen van de mens te ondermijnen. “Taal is een virus” is inmiddels een cliché geworden dat zelfs doorgedrongen is tot de wetenschap. Het is een geheime code die slogan werd, de “Pepsi, the choice of a new generation” van drugsgebruikende maatschappijkritische zwartjassen. Burroughs’ werd een icoon van een kunstwereld die underground wilde zijn en tevens geestelijke mentor van cut-up en sample-artiesten. In hun universum leeft hij voort, als geluidssample: een gortdroge stem “language is a virus from outer space”.

In Nova Express onderzoekt Inspecteur Lee de impact van het taalvirus. In zijn rapport “Technical Deposition of the Virus Power” schrijft hij: “it was found out that the binary information could be written at molecular level, and our entire image could be contained within a grain of sand. However it was found out that these information molecules were not dead matter but exhibited a capacity for life which is found elsewhere in the form of virus. Our virus infects the human and creates our image in him.”

Het virus van informatiemoleculen is de taal. Dit virus is het zenuwstelsel van de mens binnengedrongen en heeft de structuur van de hersenen gemodificeerd zodat het er kan overleven. Het heeft ons gehele bewustzijn overgenomen. De mens is een gastheer en de gast, het virus, bepaalt wat we waarnemen, wat we denken en hoe we ons gedragen. Het virus ontneemt de mens de kans om een werkelijkheid waar te nemen die buiten het virus (de taal met al haar ordeningsprincipes) ligt. “The word is now a virus. (...) The word may once have been a healthy neural cell. It is now a parasitic organism that invades and damages the central nervous system.”

Zo’n ziekteverwekker moet vernietigd worden en schrijvers zijn de uitverkoren bestrijders. Zij hebben de opdracht om de biologische code te herschrijven door het scheppen van mogelijkheden. Het anti-virus vaccin dat in Nova Express wordt voorgesteld is de cut-up: het versnijden van teksten. De functie van de cut-up is deprogrammering van de door het taalvirus voorgeprogrammeerde hersenen. De cut-up vernietigt de coherentie van een tekst, de verbanden worden verminkt, vreemde stukjes tekst worden ingevoegd. Wat een geheel was raakt gefragmenteerd. (Misschien ontstaan er nieuwe, toevallige connecties - maar dat is van secundair belang). Blootstelling aan de cut-up moet uiteindelijk resulteren in het aanmaken van anti-lichamen tegen de machtsstructuren van taal.

Net als de CIA, sekten en andere hersenspoelers gaat het Burroughs, die de cut-up zelf ruimschoots toepast, niet om de betekenis van de boodschappen, niet om codering en decodering van de semantische lading. Het gaat hem om het programmeren en deprogrammeren van hersenstructuren door taal. “Taal is een virus” is een sterke metafoor die de invloed van taal op de ervaring in één zin weet te vangen. Daarnaast is ze de kern van een aantrekkelijke, fictieve, als wetenschap vermomde “theorie” die een biologische verklaring van die invloed biedt.

Burroughs’ spreekbuis Inspecteur Lee is de maatschappijkritische pseudowetenschapper die taal als middel wil inzetten om de wereld te veranderen via de neurofysiologische weg. Inspecteur Lee is een fictieve taalfilosoof met street-credibility, een undercover-agent die in de straten in een geradicaliseerde vorm, dezelfde boodschap doorgeeft die onder andere de poststructuralisten in de academie verspreiden.

Inspecteur Lee had al in 1960 de boodschap begrepen: onderzoek taal op het niveau van de cellen, van zenuwen, ziektekiemen, stroomstootjes, eiwitten. Kijk wat er dan gebeurt. Hoe ziet de wereld er dan uit? Hij representeert een visie op taal die het primaat geeft aan het biologische aspect ervan. Een visie die geïnteresseerd is in het effect van taal, in de veranderingen die ze op biologisch niveau tot stand brengt. Bovendien is Lee een opposant, hij vertelt hoe men info handelend naar eigen hand kan zetten en hoe men voorkomt slachtoffer te worden van wat je omringt.

Naar analogie van al die andere nu zo invloedrijke en succesvolle materieel-biologische theorieën kunnen we met Lee een theorie ontwerpen waarin de neurofysiologische effecten van een bepaald soort taalgebruik beschreven worden. Is er een vorm van taalgebruik die een zodanige invloed heeft op de hersenen van de mens dat deze opgewassen is tegen de wereld-van-nu? Plaats Lee in 1999.

Inspecteur Lee is gewend tegen een zichtbare tegenstander te strijden: de gevestigde orde, de bestaande machtsstructuren. In 1999 lijken ze verdwenen, alles lijkt opgeslokt te zijn door de netwerkmetafoor. In het immer veranderende netwerk komen continu nieuwe allianties tot stand, heeft elke nieuwe input een effect. En, zo blijkt, er is geen positie buiten het netwerk. Ook Lee’s oude buitensporige theorieën worden moeiteloos geïncorporeerd en onschadelijk gemaakt.

Lee, wiens missie nog altijd dezelfde is, moet toegeven dat deze wereld niet vraagt om ondermijning van de taal door cut-up. In deze wereld, zo erkent hij, is het zaak continu nieuwe connecties te maken, en steeds opnieuw oude connecties af te stoten om de elementen op een andere manier te kunnen verbinden. Je moet jezelf opvatten als een proces temidden van processen. Alleen zo blijf je nieuwe mogelijkheden zien, kun je je onttrekken aan opgelegde werkelijkheden. Om je teweer te stellen tegen alle virusachtige informatie die er op je afgevuurd wordt is het nodig om elke keer opnieuw een andere draai te geven aan wat je ziet en ervaart. Allianties aan kunnen gaan. Verbindingen creëren, jezelf verbinden met anderen. Blijven bewegen blijkt het devies, en vooral: kunnen blijven bewegen in je hoofd. Wie vastroest in wat voor denkpatroon dan ook, die is gezien, die valt ten prooi aan kwaadaardige, verstarrende virussen. Met achterdochtigheid jegens de taal kom je niet ver. Deprogrammeren van bestaande connecties voldoet niet. Het doorsnijden van het bestaande verband en er een toevallige connectie voor in de plaats stellen, dat is een te magere strategie. Het is een onvoldoende sterk medicijn om op de been te blijven temidden van de grote verscheidenheid aan impulsen, in deze draaikolk. Deze situatie vereist een ander middel. De poëzie.

IV Poging tot definitie van de neuro-poëzie
We hebben een neurofysiologische theorie van de poëzie nodig om de functie van moderne poëzie anno 1999 te omschrijven. Wat is poëzie wanneer ze beschreven wordt op het niveau van het zenuwstelsel? Wat gebeurt er wanneer een versregel ‘binnendringt’ in het lichaam van de lezer? Welke fysiologische reacties vinden er plaats in de hersenen? Welke zenuwen vuren, wat is het patroon dat gevormd wordt? Welke biologische functies vervult dit mentale gedrag? In zulke neurofysiologische termen over poëzie spreken levert argumenten op om de functionaliteit van poëzie hard te maken.

Iemand leest een gedicht. Het signaal van de versregels zet zijn zenuwstelsel aan het werk. Het stuurt impulsen over bestaande verbindingen, activeert bijna vergeten paden, associeert, probeert nieuwe verbindingen uit en stoot andere af. Zo kan een enkele impuls leiden tot een uiterst gecompliceerd patroon van zenuwactiviteit. De letters op papier worden waargenomen en omgezet in een patroon van met elkaar communicerende zenuwcellen, een instabiel netwerk. De betekenis van een bepaalde impuls in een zenuw hangt af van de activiteit van de andere zenuwcellen. (Uiteraard geldt dit model niet exclusief voor poëzie, het is bijvoorbeeld met de nodige aanpassingen evengoed toepasbaar op bepaalde (video)films).

Een volwassen zenuwstelsel maakt geen nieuwe zenuwcellen meer aan, maar de bestaande dendrieten kunnen groeien en zo de mogelijkheid voor het aangaan van nieuwe verbindingen bieden. Bovendien kan activiteit bij de synaps veranderd of beïnvloedt worden door neurotransmitters (stoffen die aangemaakt worden in de hersenen en zenuwactiviteit versterken of verbeteren), op dezelfde wijze als geneesmiddelen en drugs dat doen. Nieuwe weggetjes waarlangs zenuwimpulsen reizen kunnen leiden tot een nieuwe blik op de wereld, een nieuwe betekenis van de dingen en tot ander gedrag. Evolutie van de hersenen ligt in de reorganisatie van de patronen van communicatie tussen de zenuwcellen. Dat werpt de vraag op: is poëzie een speciale vorm van leren, een mogelijkheid tot verandering, evolutie? Wat doet poëzie?

Eén van de kenmerken van poëzie is dat wanneer ze gehecht wordt aan een nieuwe context ze een andere betekenis krijgt. Bovendien zal een gedicht wanneer het opnieuw gelezen wordt even krachtig zijn als voorheen. Poëzie is onuitputtelijk. Inspecteur Lee vindt een toepasselijk citaat van de Russische semioticus Yuri Lotman: “...an artistic text manifests yet another feature: it transmits different information to different readers in proportion to each one’s comprehension; it provides the reader with a language in which each succesive portion of information may be assimilated with repeated reading. It behaves as a kind of living organism which has a feedback channel to the reader and thereby instructs him.”

Een gedicht, opgevat als een reeks code - vergelijk het met computercode - is een signaal dat verscheidene dingen kan uitvreten in de hersenen van haar gast. Bij ‘gewoon’ taalgebruik (een boodschap die zonder problemen te decoderen valt) worden zenuwimpulsen over een bestaande verbinding verstuurd en wordt een bestaand patroon in de hersenen geactiveerd, dat door de boodschap versterkt wordt. Moderne poëzie daarentegen stelt het taal- en begripsvermogen op de proef. De hersenen worden gedwongen steeds nieuwe verbindingen te maken, af te wijken van de bestaande patronen, het bekende om te keren. Ingesleten interpretatiegewoontes voldoen maar tot op zekere hoogte om poëzie te neutraliseren tot een ‘gewone’ boodschap. Er wordt geen bestaand patroon versterkt, geen bestaande manier van tegen de dingen aankijken krachtiger verankerd. Er wordt tot continue beweging, continu experiment aangezet. De hersenen worden door het lezen van poëzie getraind in het continu veranderen, een vaardigheid die in het dagelijks leven in deze wereld van levensbelang is. Want het is cruciaal dat ze niet vastroesten, dat de zenuwbanen niet ingesleten raken, dat het zenuwstelsel altijd opnieuw verbindingen en nieuwe patronen kan blijven aanmaken. Zo blijven ze flexibel en altijd voorbereid op een strijd vol verrassingen.

Poëzie is een signaal, een stukje code dat dendrieten en axonen ertoe aanzet continu bezig te blijven met het uitproberen van nieuwe verbindingen. (Als het een computerprogramma betrof, dan zou het een metaprogramma dat het besturingssysteem beïnvloedt, geen programma dat dankzij het besturingsprogramma draait). Er wordt een proces in gang gezet dat niet afgesloten wordt. Ook wanneer we een gedicht lezen en er niets van begrijpen is het gedicht effectief. De woorden blijven doorzeuren, de hersenen blijven, op hoe kleine schaal ook, doorgaan met het uitproberen van verbindingen. Misschien dat niet een van die verbindingen uiteindelijk gehandhaafd blijft. Misschien blijft het bij bewegen alleen. Maar ook dan hebben de hersenen bewogen, en raken ze beter getraind. Poëzie lezen kan vervolgens een deel van de hersenen, op virusachtige wijze, herprogrammeren. Dat gebeurt nadat de hersenen in beweging gezet zijn. De input van de versregels kan de code van het programma waarmee de wereld beschouwd, waargenomen, geïnterpreteerd en betekenisgegeven wordt, veranderen. De code hecht zich aan het programma, infecteert het, en past het aan. Daarna functioneert het programma anders.

We zouden met Lee kunnen opperen dat er versregels zijn die, wanneer ze in een menselijke gastheer gepiloteerd worden, de hersenpatronen programmeren die de mens in staat stellen om complexe info tot zich te nemen. De code van een versregel heeft als neveneffect (naast het oproepen van beelden, het activeren van gedeeltes van het taalcentrum) dat ze de hersenen instrueert een stof aan te maken die ervoor zorgt dat bepaalde dendrieten en axonen in verhevigde mate voor prikkeling gevoelig worden en dus constant op zoek blijven naar nieuwe verbindingen. Poëzie is in zo’n geval de impuls die de hersenen aanzet tot productie van dergelijke neurotransmitters. Poëzie is een mogelijkheidsverschaffer: ze stelt de hersenen in staat om de wereld anders en op verschillende wijzen, te zien.

Omdat taal evenals de wereld constant verandert, kan poëzie gebruikt worden als middel om veranderingen in de werkelijkheid te volgen, het hoofd te bieden, voor te zijn. Poëzie lezen is een manier om alert te zijn. Poëzie is de smart drug die ervoor zorgt dat de zenuwcellen in beweging blijven, de smart drug die in staat stelt om de elementen van de werkelijkheid steeds opnieuw in een nieuwe constellatie te ervaren, die, wie weet, de lezer er zelfs toe in staat stelt de categorisering van de werkelijkheid voor te zijn.

V afsluiting van de verkenning
Burroughs werk wordt getypeerd door “a willingness to destabilize accepted categories of meaning”. Dat is ook de sleutel tot metamorfose, aanpassing en, voor de Darwinisten onder u, overleving. Alles beweegt en de wereld bestaat alleen als proces. Hoe meer een gedicht de lezer uitdaagt om zijn referentiekaders te veranderen, hoe meer het aanspoort om nieuwe verbindingen in de hersenen uit te proberen, des te beter zal de lezer voorbereid zijn op veranderingen, des te beter zal hij kunnen dealen met de werkelijkheid. Het versterken van bestaande patronen helpt hem niet. Want voor wie geen nieuwe verbindingen in zijn hersenen aanmaakt neemt de kans op overleving af. Aldus is een theorie van de poëzie te formeren die actueel is in een wereld die gekenmerkt wordt door netwerken en neurofysiologsche verklaringen.

Het is natuurlijk de vraag of het geschetste beeld een nastrevenswaardige situatie is, voor de mens en de poëzie. Het antwoord daarop van Inspecteur Lee van de Nova Politie luidt dat het niet alleen een nastrevenswaardige situatie is maar een noodzakelijke. Zijn geheime missie is nog immer dezelfde: de boodschap verspreiden dat wie wil overleven, de taal op neurofysiologisch niveau moet bekijken. Op het niveau van de zenuwcellen, in de chemische samenstelling van de mens ligt de mogelijkheid tot verandering en poëzie kan een instrument zijn om die verandering tot stand te brengen. “Prisoners of the Earth, come out” roept hij.

Maar terwijl Lee nog dertig jaar geleden de cut-up aanprees als anti-virus tegen verstikkende taal, kent hij nu de moderne poëzie een soortgelijke functie toe. De cut-up creëerde door verminking (eventueel) een nieuwe connectie in taal, het effect ervan op de gast was deprogrammering. Moderne poëzie creëert juist in de gast continu nieuwe connecties, houdt de gast alert. De moderne poëzie is een smart drug.

Poëzie wil niet bevestigen maar op drift laten raken, het zenuwstelsel, fysiek laten bewegen. Zo krijgt de oude opvatting dat literatuur niet een bevestiging van de status quo is maar een instrument is om verandering tot stand te brengen een neurofysiologische, ondersteuning. Is versregels consumeren inderdaad een manier om hersenactiviteit te versnellen en op verandering te anticiperen? Of zijn dit niets meer dan speculaties? “Well...”, besluit Lee, “...that’s about the closest way I know to tell you”. En als hij uit beeld verdwijnt steekt er een frisse zuidenwind op.

some rights reserved
Arie Altena, juli-november 1998
ongeredigeerd

index