literatuur in tijden van media

Arie Altena


Het was de bedoeling dat dit artikel in de zomer van 2001 zou verschijnen in het nieuwe medianummer van het Belgische kunsttijdschrift De Witte Raaf. Dat gebeurde echter niet. Hoewel de redactie de gekozen invalshoek interessant vond, besloot men het niet te plaatsen. Achteraf gezien kan ik me dat wel voorstellen. Een fundamenteel probleem in dit artikel is de manier waarop ik omga met het begrip 'literatuur'. Daaruit ontspruiten misverstanden, te grove generalisaties en misschien ook wel vergissingen. Ik ga, redenerend vanuit mediatheorie, bijvoorbeeld volledig voorbij aan een sinds de Rennaissance in het westen ontstaan literatuurbegrip. Zo gemakkelijk gaat dat niet. Blijft wel dat ik er nog altijd van overtuigd ben dat het vruchtbaar is om het begrip literatuur te gebruiken voor alle "verbale kunst". Verbale kunst kan worden opgeslagen in verschillende media, en zich in verschillende media kan manifesteren. Misschien had ik beter 100 procent voor deTynjanov-aanpak gekozen: aantonen hoe genres die in het centrum stonden (roman) heel langzaam marginaler worden, en marginale genres heel langzaam een beetje richting centrum oprukken (performance-poëzie, webteksten, adventuregames), of een klein beetje minder marginaal worden (radiokunst, tekstmixage). Enzovoorts.

M.a.w. achteraf ben ik ook niet helemaal gelukkig met dit artikel. Misschien is het wel te oppervlakkig. Ik publiceer het hier toch voor degenen die er mij in de loop van de tijd om gevraagd hebben - en voor die paar andere liefhebbers - en wel in de "leuke" versie: met 24 deels veel te lange voetnoten, inclusief een bijna (?) onstporende voetnoot over David Foster Wallace.


Waar is literatuur in tijden van nieuwe media? Wie kijkt naar hoe er in Nederland en België over literatuur gesproken wordt, zal geneigd zijn te concluderen dat literatuur zich manifesteert in boeken. 'Live' verhalenvertellen en performance-poëzie zijn verschijnsel in de marge. Literatuur, dat is Claus, De Moor, Kopland; boeken van literaire uitgeverijen die besproken worden in boekenbijlages; en dat is zogenaamd moeilijkere literaire kunst die, minder gelezen, wel becommentarieert en bediscussieert wordt in literaire tijdschrijften [1].

De literaire instituties hebben zich, in Nederland en België, in de afgelopen tien jaar weinig gelegen laten liggen aan het internet [2]. Veel verder dan het aanprijzen van tijdschrift en het inzetten van publieksgerichte websites als marketinginstrument [3] komt men niet. Terwijl musea en galeries de netkunst oppikken [4], hebben literaire instituties en literaire kritiek zich eerder teruggetrokken op het eigen eilandje. Dat is marketingtechnisch begrijpelijk omdat uitgeverijen en schrijvers geld verdienen met boeken; en ook omdat het mediumspecifieke net- en webliteratuur wel eens aan zichtbaarheid en kwaliteit ontbroken heeft.

mediageschiedenis
Het boek is in de westerse wereld vierhonderd jaar lang het belangrijkste medium is geweest voor literatuur; literatuur wordt vanzelfsprekend geïdentificeerd met het boek. De westerse literaire canon bestaat uit teksten die voor de boekvorm geschreven zijn, of goed te "porten" bleek naar het boek. Literatuur die slecht te "porten" is naar papier, moet het doen met een plaats in de marge. Het boek is een opslagmedium dat schrijfmedium geworden is. Is literatuur gelijk aan haar opslagmedium? Manifesteert literatuur zich alleen in een boek? Natuurlijk niet. Is het boek het beste opslagmedium voor literatuur? Valt literatuur die geschreven is voor het opslagmedium boek, te preferen omdat ze het meest complex is? Daarover zou men kunnen discussieëren. Is er literatuur die zich minder goed, of überhaupt niet in een boek laat opslaan? Ja.

De twintigste-eeuwse mediatheorie van Ong, McLuhan, Kittler, Bolter, Lanham, heeft veel bijgedragen aan het inzicht dat het begrip literatuur niet gedefinieerd kan worden naar het medium waarin het zich manifesteert. Literatuur is de naam voor culturele praktijken die zich op de een of ander manier, met een min of meer esthetisch doel, primair bezig houden met taal, en die in een samenleving "hoog" gewaardeerd worden: verbale kunst.

Deze mediatheorieën tonen dat literatuur en samenlevingen gevormd worden door de dominante kennismedia. Walter Ong beschrijft in Literacy and Orality de verschillen tussen het wereldbeeld van een orale cultuur en een geletterde cultuur. Omdat het geschreven woord opslag van teksten mogelijk maakte, kwamen er nieuwe mogelijkheden voor taalexpressie en verhalenvertellen vrij. Het gebruik van epitheta, rijmschema's en andere mnemotechnieken die de orale literatuur kenmerkten, maakt plaats voor een complexere syntaxis. Alleen stil lezen vervangt het gezamenlijk luisteren naar een bard. Bracht het geschreven woord zo introspectie en individualisme, McLuhan stelt dat "the typographic extension of man", de komst van het drukwerk, gepaard gaat met het ontstaan van nationalisme, industrialisatie, massamarkten, en universeel onderwijs [5].

Nu hoeft men niet zo ver te gaan als de katholieke McLuhan of Ong om in te zien dat rondom het geschreven en gedrukte woord een lees- en schrijfcultuur met mediumgebonden competenties en gewoontes ontstond. Wie thuis wil raken in de wereld van het gedrukte woord, om een volwaardig lid van een samenleving te worden, moet niet alleen leren lezen en schrijven, genres en stijlmiddelen leren herkennen; die moet leren omgaan met een boekgebonden kennistechnologie.

nieuwe media
In de loop van de negentiende en twintigste eeuw zijn er een hele reeks "nieuwe" media verschenen. Telegraaf, telefoon, geluidsopname-apparatuur, radio, televisie, computernetwerken - manieren en apparaten om informatie te verzenden en op te slaan - lieten hun sporen na in de literatuur. Ze namen functies over van het geschreven woord. (De feuilleton verdween om tot bloei te komen in de televisiesoap). Literaire technieken worden gevormd naar, of ontleend aan stijlmiddelen uit nieuwe media; avantgarde literatuur komt tot stand onder besmettend contact met nieuwe media. De tendens tot zelfreflexiviteit, kenmerk van postmodernistische fictie, kan verklaard worden uit de invloed van het medialandschap. Maar vooral ook worden nieuwe media ontdekt als publicatiemedium en technologie voor de productie van literatuur, waarbij de mediumspecifieke eigenschappen worden uitgebuit.

Sound Poetry kan dankzij geluidsopname-apparatuur en radio voor het eerst opgeslagen en uitgezonden worden. Uit de combinatie radio en literatuur ontstaat het hoorspel, ook wel radiofonie [6]. Geanimeerde poëzie is schier onmogelijk zonder film, begint echt met video, en komt in handen van gewone mensen dankzij gebruiksvriendelijke en betrekkelijk goedkope animatiesoftware en het WWW.

Zo wordt het begrip literatuur opgerekt. Nieuwe media, nieuwe genres, en het inzicht dat niet in alle culturen (van ons westerlingen verwijderd in ruimte of tijd) boekliteratuur dominant is, openen de weg naar de acceptatie van het idee dat literatuur niet per se boekgebaseerde verbale kunst is.

netwerken
De komst van de computer en computernetwerken heeft in de wereld van informatieopslag, kennisrepresentatie en informatieontsluiting een volledige paradigmawisseling teweeggebracht. De mogelijkheid tot het technisch implementeren van links naar gerelateerde informatie en de relatief eenvoudige publicatiemogelijkheden, zijn twee draaipunten van deze cultuuromslag. In de afgelopen eeuwen heeft de literatuur in de westerse cultuur status ontleent aan het feit dat ze zich in hetzelfde "Aufschreibesystem" bevondt als kennis. In het boek lag kennis opgeslagen, het boek representeerde kennis en macht. De infrastructuur van kennis lag in boeken en de aan boeken aangepaste methodes van kennisopslag en -ontsluiting [7]. De infrastructuur van kennis is nu internet. Het netwerk van verbindingen is nu de dominante metafoor voor kennis [8].

Wat literatuur is, valt niet los te zien van culturele praktijken van hoe mensen bijvoorbeeld verhalen vertellen, schrijven en publiceren [9]. Het schrijfmateriaal voor de in netwerken schrijvende en kennisverwerkende mens bestaat o.a. uit toetsenbord, computer, discussieforums, geluidsopneameapparatuur, pen, papier, tekstverwerkingsprogramma's, html, Flash, computertalen. Op scholen wordt de notie van "geletterdheid" dan ook aangevuld met de notie van "netwerkvaardigheden": hoe lees, publiceer en communiceer je in netwerken? In die omgeving ontstaat een mediacompetentie, die de literaire competentie van lezers verandert [10]. In het netwerk ontstaan schrijfpraktijken die afhankelijk zijn van de netwerken, haar protocollen en software. Zoals de komst van regelmatige postbezorging voor gewone burgers, een praktijk van brievenschrijven in het leven riep, die leidde tot het genre van de briefroman, zo ontstaan op het netwerk schrijfpraktijken die op hun beurt artistieke toepassingen vinden.

De verandering in (de opvattingen over) literatuur zijn natuurlijk geen puur technologisch bepaald effect van een overgang naar een ander medium. Veranderingen komen tot stand door het op elkaar inwerken van een verscheidenheid aan factoren - naast technologsche, ook menselijke, artistieke, maatschappelijke, sociale, economische.

Wat boek-literatuur in de huidige context gaat missen is de vanzelfsprekende aansluiting bij de kennisinfrastructuur, de schrijfpraktijken en de mediacompetentie van lezers. Het wordt dan moeilijk om vol te houden dat literatuur zich vooral en op haar best manifesteert in boeken én maatschappelijk relevant is. Voor lezers die zich ophouden in de netwerken, wordt de idee dat verbale kunst of poëzie zich noodzakelijkerwijs of het best manifesteert in boeken, archaïsch [11].

computerliteratuur
Waar zijn nu die schrijfpraktijken op internet die - te zijner tijd - literatuur genoemd kunnen worden [12]? Ik beperk me tot eventueel artistieke schrijfpraktijken die op één of ander manier gebruik maken van mediumspecifieke eigenschappen van de computer, internet, WWW of de browser [13]. Globaal heb je het dan bijvoorbeeld over programmeerbaarheid, spel, interactiviteit, gezamenlijk auteurschap en het gebruik van links.

Wat de computer als schrijfmedium onderscheidt van het boek, is de mogelijkheid om regels te definieëren die een tekst, afhankelijk van bepaalde ingegeven parameters, realiseren wanneer ze uitgevoerd worden. Er is niet één tekst, er zijn meerdere mogelijke teksten. Dat aspect van schrijven was al ontdekt in de boekliteratuur en is te vinden in de algoritmische teksten van rederijkers en OULIPO. Het wordt toegepast in de computerliteratuur die begint met experimenten van Jackson MacLow en Bense, en bijvoorbeeld wordt voortgezet door het schrijverscollectief ALAMO. Tekstgeneratoren zijn ook op dit principe gebaseerd [14]. Als schoolvoorbeeld geldt het oude computerprogramma ELIZA. In ELIZA zijn regels voor interactie, syntaxis en lexicon vastgelegd; tot welke zinnen dat leidt, hangt af van de input van de speler/lezer.

De schrijver van zulke 'literatuur' schrijft niet alleen tekst, maar ook de regels die bepalen wanneer welke tekst hoe gegenereerd wordt. Zo kan interactiviteit vormgegeven worden. Janet Murray noemt zo'n auteur een procedural writer [15]. De schrijver wordt een regisseur van processen. een spelontwerper. In die zin wordt ook wel gesproken over vormgeven van gedrag en interactiviteit [16]. Hoewel programmeerbaarheid een kernaspect van computerliteratuur is, wordt ze lang niet altijd in even grote mate uitgebuit.

hypertekst
Hypertekstliteratuur werd, net als het WWW, geboren uit de link. Daardoor was ze op het internet al betrekkelijk vroeg bekend als literair genre. In eerste aanzet, eind jaren tachtig, leek literaire hypertekst, waarin de mogelijkheid tot het (quasi-)interactief presenteren van multilineaire verhalen werd benut, een extrapolatie te zijn van de meest radicale eigenschappen van postmodernistische fictie [17]. Dat was dat vooral het gevolg van een (ongelukkig?) samengaan van interesse in poststructuralisme, postmodernisme en computers bij de best bespraakte aanhangers.

Het probleem van hypertekstliteratuur is dat hypertekst primair een informatie- ontsluitingsmethode is, een methode van dataordening, en pas secundiar een schrijfmiddel. Hypertekstliteratuur wordt pas interessant wanneer ze geprogrammeerd wordt; wanneer links niet vantevoren vastliggen, maar afhankelijk zijn van eerdere input van de lezer; wanneer de entries in de database blootgesteld kunnen worden aan verschillende bewerkingen [18].

Het schrijven van een goede hypertekst is het programmeren van de interactie tussen gebruiker en tekst, hangt af van o.a. het artistiek gebruik van links. Hoe animeer je een link? Dat is een kunst die tot grotere hoogte gestegen is in, de meer filmische dan literaire, interactieve games, met hun Hollywood-opvatting van narrativiteit. Het lijkt er op dat het belangrijker en spannende is om je als kunstenaar te verhouden tot die gamescultuur, dan te proberen literatuur te 'porten' naar hypertekst. Pure hypertekstliteratuur lijkt daarmee gedoemd tot marginaliteit: een artistieke voetnoot bij een populaire praktijk en grondkernmerk van het WWW. Anderszijds is hypertekstliteratuur, in de USA en Duitsland uitgegroeid tot een zelfstandig genre met een eigen groep lezers, theoretici, en beoefenaars.

multi-user gaming
Als specifieke internetliteratuur kunnen een aantal MOO's beschouwd worden, die, voordat de grafische interface het internet overdekte, zeer populair waren. De spelers van deze 'role-playing-games' bouwden zelf hun karakter, regels voor interactie, objecten en ruimtes, die weergegeven werden in tekst. Ronddwalen door een MOO betekende een avontuur beleven. Ik herinner me o.a. de LambdaMOO - tamelijk SF-achtig -, de MOO van het MIT, die van Postmodernist Fiction, en de Metro van de DDS. Sommige delen waren literair interessant, - omdat er mooi geschreven was, de ruimtes iets suggereerden of losmaakten, of omdat de chatterbots goed geprogrammeerd waren.

Dat de MOO's verdwenen zijn, is omdat de functie ervan enerzijds is overgenomen door visuele virtuele werelden, chats (literair minder interessant), en multi-user games. Ook hier geldt dat wat literair was, nu visueel uitgewerkt wordt, waardoor de talige aspecten ondergeschikt lijken. Dat neemt niet weg dat de MOO een zeer gesofistikeerde vorm van interactieve narrativiteit was, en een bruikbaar model van 'gezamenlijk auteurschap' bood. Is het na de nostalgische craze rondom oude videogames, wellicht tijd voor een door tekstnerds opgewekte hype rond MOO's?

Perl-poëzie
Een genre dat zijn bestaan aan de computerwereld en programmeurs te danken heeft, is poëzie geschreven in de computertaal Perl: Perlpoetry. De poëzie van een Perl-gedicht kan liggen in de elegantie of esthetische aantrekkelijkheid van de regels Perl-code. Interessanter is het wanneer de Perlscripts poëzie genereren; dan raakt Perlpoëzie - als artistieke hobby van programmeurs - aan het ontwerpen van tekstgeneratoren. De poëzie van Perlscripts kan ook, meer dan in de finale output, liggen in het uitvoeren van het script. Soms is het resultaat een gedicht in een natuurlijke taal, soms moet je Perl kennen om het gedicht te begrijpen. Bij de meest extreme gevallen komt de twijfel op of het nog wel poëzie voor mensen is, of dat de code eerder esthetisch aantrekkelijk is voor processoren [19]. Het bestaan van Perlpoëzie toont hoe een medium, en een (sub)-cultuur haar eigen artistieke praktijk ontwerpt; die binnen bepaalde werelden (programmeurs, nerds) artistiek aanzien hebben en hoog gewaardeerd worden, maar daarbuiten onopgemerkt blijven [20].

asciiart, weblogs en verder
Ascii-art, waarbij gebruik gemaakt wordt van de 128 ascii-tekens om tekstbeeld te construeren, wordt algemeen beschouwd als visuele kunst. Ascii-art, zoals text-only werk van Jodi, is een logisch uitvloeisel van de visuele poëzie, en vindt daar haar traditie en interpretatiekader. Hoewel Ascii-art geen computerkunst is - het werk kan immers evengoed op papier bestaan - wordt ze vooral op het internet beoefend. De beperkingen van het internet vóór de GUI, en nu de beperkingen van SMS, hebben een marginaal literair genre (dat letterlijk op de grens tussen literatuur en beeldende kunst leeft), een groter publiek gebracht. Dat publiek beoefent die deze kunst ook zelf, zij het niet altijd even briljant als Jodi en andere grootheden. Ascii-art is een artistieke praktijk die voortkomt uit de beperkingen van een medium; en daardoor de literatuur verbreed heeft [21].

Er zijn nog veel meer plekken op het internet te vinden waar iets gebeurt dat op de een of andere manier net-, web- of browserspecifieke verbale kunst genoemd kan worden. Zoals de geanimeerde poëzie, geprogrammeerd in Flash of Shockwave, waar genre waar een aantal hypertekstschrijvers zich op gestort heeft; of de sites waarin een kunstenaar een fictieve identiteit heeft opgetrokken en de avonturen van deze avatar verhaalt; webliteratuur van het soort dat Jochem Niemandverdriet op http://www.nobodyhere.com schrijft, of http://www.gummisko.nl, een prikbord voor absurde tekst. Wie weet hoe te zoeken, vindt.

Ook uit weblogs kan literatuur groeien. Meestal is de weblog een combinatie van verwijzingen naar andere webpagina's, korte toelichtingen, en columnachtige stukjes. Het is een manier van publiceren die volledig is aangepast aan het ritme en de omgeving van het web, met haar mogelijkheid tot direct beschikbaar maken van context en je verbinden aan inhoud van anderen [22]. Ik moet bij weblogs altijd denken aan de manier waarop Louis-Paul Boon zijn romans voorbereidde in de dagelijkse Boontjes. Een nieuwe Boon wordt, denk ik, over een aantal jaar, eerder onder de weblogs dan in de boek-literatuur gevonden.

conclusie
Waar is dan literatuur in deze tijden van media? Alleen in dat boek? Een nauwe opvatting van literatuur als boekliteratuur loopt stuk. Dat wordt des te duidelijker nu zich op het internet de contouren van een nieuwe tekstcultuur aftekenen, één waar verbindingen - naar andere teksten en andere expressievormen - centraal staan. Een inclusievere opvatting van literatuur kan duidelijk maken dat taal nog altijd een centrale plaats inneemt in onze wereld. Wie denkt dat literatuur gemarginaliseerd raakt, gaat uit van een exclusieve opvatting van literatuur - en sluit de ogen niet alleen voor het artistiek gebruik van het woord in rap en spoken word, maar ook voor de rol van het woord in culturele praktijken op het net.

De boekliteratuur komt minder in het centrum van het literaire systeem te staan, en allerlei eerder marginale genres plus nieuwe literaire praktijken rukken vanuit de periferie naar het centrum op. Literatuur wordt hybride. Dat wil niet zeggen dat het boek volledig uit de wereld verdwijnt. Zoals Kittler opmerkt: "New media do not make old media obsolete; they assign them other places in the system" [23]. De functie van het boek verandert. Het wordt een luxe-item, een opslagmedium voor oude kunst, en een in bepaalde gevallen handige tekstdrager [24].

NOTEN
Voor alle URLs geldt: bezocht in maart/april 2001
[1] En theater? Een deel van de literatuur, vooral als de tekst in boekvorm beschikbaar is... |^|
[2] Uitzondering daargelaten, zoals een speciaal nummer van DWB. |^|
[3] Ik doel op http://www.boekboek.nl; een professionele site waar nogal wat op aan te merken valt. |^|
[4] Getuige grote tentoonstellingen als Netcondition van het ZKM en Art in Technological Times van het SFMOMA, zie http://010101.sfmoma.org. |^|
[5] Zie McLuhan (1967), p. 184. |^|
[6] Dit genre is in Duitsland, o.a. dankzij geld van de radiostudio's, uitgegroeid tot literair genre, maar lijkt in Nederland eerder onder moderne muziek te vallen - vandaar radiofonie. Het gevolg is dat de literaire aspecten van zo'n genre ondergesneeuwd raken, en dus ook niet herkend worden ook in nieuwere vormen (mixen). Daar kan tegenin gebracht worden dat radiofonie een opzichzelfstaande kunstvorm is, die onafhankelijk functioneert. Computer- web- of netliteratuur komen m.i. pas tot hun recht wanneer ze beschouwd worden in de context van het literaire systeem, waarvan ze deel uitmaken. Het voorbeeld van radiofonie maakt ook duidelijk dat een institutioneel-culturele context mede bepaald of een culturele vorm onder "literatuur" valt, of genegeerd wordt, om wellicht in een andere context op te duiden. |^|
[7] Zie hiervoor o.a. Kittler. |^|
[8] Boeken zitten vol links; maar de boektechnologie ondersteunt links en het netwerkaspect van kennis veel minder goed dan internet en het http-protocol. |^|
[9] Voor de invloed van nieuwe media en reclame op de Amerikaanse poëzie zie Marjorie Perloff (1991). Zij ziet bijv. een verschuiving van de alinea als "unit of composition" naar de regel als "unit of composition" - met alle gevolgen vandien voor de poëzie. |^|
[10] Kenmerkend voor de verandering van de literaire competentie van de huidige lezer (en schrijver) is de houding t.o.v. allerlei metafictionele truuks. Werden deze in het postmodernisme nog gebruikt en opgevat als middelen om de realisme-illusie van het fictionele verhaal te doorbreken; nu worden ze ingezet om aan te sluiten bij de media-overspoelde realiteit van de lezer. De Amerikaanse schrijver David Foster Wallace -die zelf afrekende met het metaficionalisme in Westward the Course of Empire takes its Way; en in zijn cultklassieker Infinite Jest de effecten van allerlei media/technologieën op de de Amerikaanse ziel verwerkte - traceerde deze breuk in zijn invloedrijke essay over de verhouding tussen nieuwe Amerikaanse literatuur en televisie, E in Pluribus Unam (zie Wallace 1997). Aan dat essay ontleende Dave Eggers het idee om zijn nogal saai autobiografisch relaas (a Heart-Breaking Work of Staggering Genius) 'op te leuken' met metafictionele truuks, met als doel de betrokkenheid, en sympathie van de lezer te vergroten. (De grote vijand, meer nog van David Foster Wallace dan van zijn bestselling-navolger Eggers, is de voor oprechtheid en meevoelendheid dodelijke ironie). Wat metafictioneel was, werkt nu als mimesis. Dat bewijst dat de literaire competentie van de hedendaagse lezer, door een verandering in werkelijkheidsbeeld en medialandschap, en het omgaan met verschillende media, flink verandert is. Vergelijk ook de receptie van Mark Z. Danielewski's House of Leaves (2000). Dat metafictionele stijlmiddelen een mimetisch effect kunnen hebben werd overigens ook al gesignaleerd in de postmodernismediscussie van de jaren tachtig. |^|
[11] Een neveneffect hiervan is dat sommige soorten (oude) literatuur makkelijker, terwijl andere moeilijker leesbaar worden. Ezra Pound's Cantos worden relatief toegangkelijker, en de meanderende zinnen van Henry James' romans nog lastiger. Wie de Cantos leest, heeft iets aan zijn netwerk-vaardigheid van losse eindjes aan elkaar knopen, 'iets' maken van een opeenstapeling van fragmenten; terwijl James een beroep doet op een puur literaire competentie, die minder evident is. |^|
[12] Aangezien internet een infrastructuur voor van alles en nogwat geworden is - van e-commerce via overheidsinformatie tot academische kennis, games en kunst - is literatuur er in verschillende verschijningsvormen te vinden. Wie het hele aan internet verbonden literaire systeem wil beschrijven, om zicht te krijgen op de verandering in het literaire systeem als geheel, zou ook in moeten gaan op o.a. het gebruik van internet voor het verspreiden van gedrukte literatuur (boekverkoop, 'publishing on demand'); marketing (http://www.boekboek.nl); internet als opslagmedium voor boekliteratuur (acaddemische tekstarchieven als Project Gutenberg), als presentatie- of publicatiemedium voor gedrukte literatuur, visuele poëzie en spoken word (http://www.lyrikline.org); literaire tijdschriften (http://www.conjunctions.com), fansites, achtergrondliteratuur, e-maildiscussielijsten, gemeenschappen van lezers; en combinaties van zulke functies. Deze uiterst bloeiende plekken, veranderen het literaire systeem, maar zijn niet per se "mediumspecifieke" internetliteratuur. De inhoud van het nieuwe medium is hier het oude medium, of een aanhangsel daarvan. Effecten zijn er wel: Joyce's Finnegans Wake en David Foster Wallace's Infinite Jest zijn op het internet grotere klassiekers dan ze ooit in drukwerk geweest zijn, of zullen worden. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de totale multi-interpreteerbaarheid en de complexiteit van deze werken, waardoor ze zich lenen voor eindeloze/oeverloze discussie en annotaties, waarvoor het web gemaakt is. Op http://www.lyrikline.org is de visuele poëzie van Gomringer evenwaardig aan gedichten van Brodsky of Walcott; en op de site http://www.ubuweb.com, van new media poet Kenneth Goldsmith, vinden oude en nieuwe klassiekers uit de visual- en sound poetry een natuurlijk thuis binnen de grafische interface van het WWW, en de mogelijkheid tot afspelen van geluid. |^|
[13] Hierin verschil ik van mening met Florian Cramer, die hyperteksten en browserspecifieke literatuur geen netliteratuur wil noemen. Hij wijst er terecht op dat internet niet gelijk is aan een browser, en hypertekstliteratuur vaak voor stand-alone software gemaakt is, dus geen internet nodig heeft. Hij schrijft ook "internet als koppeling van telegraaf en opslagmedium en combineert boek, bibliotheek, salon en literaire machine. Wie surft maakt literatuur". Ik wil niet zo ver gaan als hij en het hele internet uitroepen tot literatuur - waarbij het de opgave van de gebruiker is, om er de poëzie van te vinden. Ook niet wil ik niet elke tekstpraktijk - bijvoorbeeld het schrijven van code volgens de 'richtlijnen' van free software en haar gesofistikeerde systeem van versiebeheer - als literair bestempelen (zie ook hiervoor Florian Cramer). Een tekstpraktijk is pas literatuur als haar beoefenaars, en liever nog ook anderen, het primair beschouwen als een artistieke praktijk. |^|
[14] Voor antieke en middeleeuwse "Kombinatorische Dichtung", zie o.a. Florian Cramers website. Voor de gevolgen van tekstgeneratoren op het begrip autonomie, zie Marres (2000). |^|
[15] Zie Janet Murray (1997) |^|
[16] Espen Aarseth muntte de term ergodetische literatuur in zijn semiotische analyse van multi- en nonlineaire teksten, cyberteksten en interactieve games. |^|
[17] Bekende beoefenaars ervan concentreren zich bijvoorbeeld rond uitgeverij Eastgate, onder hen Judith Malloy en Stuart Moulthrop, en de website Trace. |^|
[18] Dit is al vanaf het begin een discussiepunt geweest binnen de hypertekstliteratuur, een strijd die tot uiting komt in de verschillende invullingen van termen als nonlineariteit, hypertekst en cybertext. Zie hiervoor o.a. de ideeën van Espen Aarseth en Jim Rosenberg. |^|
[19] Op de internetpagina's over Perl-poëzie worden ook limericks en haiku's over Perl opgevat als Perl-poëzie. Het moge duidelijk zijn dat deze buiten de omschrijving die ik hier gebruik vallen. |^|
[20] Je zou ook kunnen beweren dat de grootste literaire meesterwerken van de twintigste eeuw niet alleen Finnegans Wake en Ulysses zijn, maar ook de programmeertalen. |^|
[21] Zie ook de mening van Eric Vos over Jodi, in DWB 99/4. |^|
[22] Zie hiervoor Jouke Kleerebezem: Hardop linken. |^|
[23] Zie Kittler: The History of Communications Media. |^|
[24] Rond het makkelijk verspreidbare en verkoopbare boek heeft zich een enorme economie ontwikkelt. Die stevig verankerde economie, waarin o.a. drukkers, uitgevers en schrijvers hun geld verdienen, laat zich niet zomaar transformeren of uitvagen. Anderszijds ken ik ook mensen die hun favoriete teksten op hun handpalmcomputertje laden om in de trein te lezen. |^|

VERWIJZINGEN
Espen Aarseth: Cybertext: Perspectives on Ergodic Literature; John Hopkins UP, 1997.
Jay David Bolter: Writing Space, a Hypertext; the Computer, Hypertext and the History of Writing, Eastgate 1990.
Jay David Bolter & Richard Grusin: Remediation, Understanding New Media, MIT Press, Cambridge &c., 1999.
Florian Cramer: zie http://ww. userpage.fu-berlin/~cantsin/ voor:
- Free Software as Collaborative Text, 2000.
- Warum er zuwenig interessante Netzdichtung gibt. Neun Thesen, 2000.
- Kombinatorische Dichtung und Computernetliteratur, 2000.
- Literatur im Internet, 1999.
Friedrich Kittler: On the Implementation of Knowlegde - Toward a theory of Hardware, 1999
Friedrich Kittler: There is no Software, zie http://www.ctheory.com
Friedrich Kittler: The History of Communication Media, zie http://www.ctheory.com
Jouke Kleerebezem: Hardop linken: zie http://nqpaofu.com/moerstaal/hardoplinken/index.html
Richard Lanham: The Electronic Word, Democracy, Technology, and the Arts, University of Chicago Press, Chicago, 1993.
Marshall McLuhan: Understanding Media, The Extensions of Man, Sphere, London, 1967 (1964).
Noortje Marres: Autonomy Revised / Keeping up the good work (after text-generators), in: dot dot dot 2, Leipzig, winter 2000, p. 10-16.
Janet Murray: Hamlet on the Holodeck, The Future of Narrative in Cyberspace, MIT Press, Cambridge &c., 1997.
Walter J. Ong: Orality and Literacy, The Technologizing of the Word, Routledge, London, 1988
Marjorie Perloff: Radical Artifice, Writing Poetry in the Age of Media, University of Chicago Press, Chicago & London, 1991.
Jim Rosenberg: The Interactive Diagram Sentence: Hypertext as a Medium of Thought, in Eduardo Kac (ed.): New Media Poetry: Poetic Innovation and New Technologies, Visible Language 30.2, Rhode Island, 1996.
Eric Vos & Jan Baetens (eds): Dietsche Warande & Belfort 99/4; zie http://www.dwb.be/dwb/99-4.html
Larry Wall: Perl, the first postmodern computer language, 1999, zie http://www.perl.com/pub/1999/pm.html.
David Foster Wallace: A Supposedly Fun Thing I'll Never Do Again, Essays and Arguments, Little Brown, Boston &c.. 1997.

WEBSITES
Eastgate: http://www.eastgate.com
Electronic Book Review: http://www.altx.com/ebr/
Electronic Poetry Centre: http://epc.buffalo.edu
Heiko Idensen & Matthias Krohn: http://www.hyperdis.de/pool/
Jodi: zie o.a. http://www.jodi.org
Perl-poetry: http://www.perlmonks.org
Trace: http://trace.ntu.ac.uk/index.htm
Ubuweb, Kenneth Goldsmith: http://www.ubuweb.com

some rights reserved
Arie Altena
april 2001

index