Hypertekst voorbij hypertekst, literatuur voorbij literatuur

Arie Altena

Deze tekst vind zijn oorsprong in een lezing aan de Hogeschool van Amsterdam in september 2004. Hij werd voor publicatie in een uitgave van de HvA, april 2007 ingekort en gereviseerd. De tekst in de publicatie is nogmaals stevig geredigeerd -- met oog op het lezerspubliek. Bij uitzondering publiceer ik de tekst in mijn versie die qua toon nogal verschilt van de gepubliceerde.

"Technology exercises its most significant effects and its most real presence not in the external world but within the mind, within consciousness. The external product designed by consciousness somehow reenters consciousness, to affect the way we think, to make possible new kinds of noetic processes, including those of philosophy itself, which are unrealizable until technology is deeply interiorized in the human psyche. The very concept of technology arises in a context of intellecual activities which would be quite impossible unless the mind had access to technology to shape its own thinking processes." [Walter Ong]

Bestaat er zoiets als nieuwe media literatuur in Nederland? Zijn er eigenlijk (nog) Nederlandse literaire teksten waarin de mogelijkheden van computer en netwerktechnologie worden uitgebuit? Er werd over gedroomd. Men ging in de eerste helft van de jaren negentig enthousiast aan de slag. Maar terwijl in de Verenigde Staten en Duitsland het (sub)genre 'nieuwe media literatuur' een eigen plek verwierf -- zij het een marginale -- is het in de lage landen eerder stil. Goed, er is aandacht voor performance-poëzie, voorleesavonden zijn populair, maar literatuur lijkt nog altijd synoniem te zijn aan boeken, teksten op papier. Einde verhaal.

Of niet? Er wordt misschien meer geschreven dan ooit. We 'tekstverwerken' dag aan dag, klikken van website naar website, verzamelen teksten, knippen, plakken, herschrijven. Zo'n omgang met tekst heeft gevolgen voor de opvattingen over kunstzinnig gebruik van taal. Het kan niet anders of er wordt ook op een kunstzinnige manier gewerkt met tekst en 'nieuwe media'. Misschien moeten we de nieuwe media literatuur voorbij de literatuur zoeken, en voorbij de nauwe kaders van wat ooit hypertekst heette. Misschien is er 'onderhuids' al meer veranderd in de literatuuropvattingen dan een snelle blik doet vermoeden?

De introductie van een nieuwe technologie leidt vooral in het begin tot dromen over grootse veranderingen en profetiën van alomvattende transformaties. Daarna wordt de technologie gewoon, ze wordt gebruikt, genormaliseerd, van radicaliteit ontdaan, ze wordt een bijna onzichtbaar onderdeel van het dagelijks leven.

Zet de klok dertien jaar terug. 1994. De grafische browser zorgt voor een langzame popularisering van het WWW. De hyperlink is de ziel van een groeiend informatienetwerk. De link verwijst niet alleen naar informatie elders, zoals een voetnoot, ze is het middel om teksten en fragmenten van digitale teksten aan elkaar te weven, tot een grotere tekst. Ze stelt de lezer in staat een eigen weg te volgen door het tekstweefsel en die weg op te slaan, tot eigen tekst te maken, die weer onderdeel wordt van het grotere geheel. Het maken van de eerste link was voor de meesten een moment van inzicht. Niemand kijkt in 2007 nog vreemd op van een link.

Een stap verder ligt de gedachte dat dit werken met links een schrijftechnologie is die ook voor literatuur ingezet kan worden. Linken zorgt niet alleen voor een andere omgang met informatie door gebruikers, ze zorgt voor een verandering in het schrijven, beïnvloedt de literaire competentie (onze vaardigeheden om iets zinnigs met teksten te doen), leidt tot een ander idee van literatuur.

Zet de klok achttien jaar terug. De Apple Macintosh-computers worden geleverd met het programma Hypercard. Je kunt er lokaal databases mee bouwen, of hyperteksten samenstellen. Een aantal Amerikanen die op het grensvlak tussen literatuur en computertechnologie werken, ontwikkelen het programma Storyspace. Daarmee worden begin jaren negentig een aantal literaire hyperteksten geschreven, die vooral in de universitaire wereld op bijval krijgen en lange tijd standaardvoorbeelden zijn als het gaat om de verwachtte transformatie van de literatuur onder invloed van nieuwe media, in casu: de computer. Op het grensvlak tussen literatuurwetenschap en computertechnologie ontstaat een debat over de mogelijkheden van de computer voor de literatuur. Er ontstaat in de academische wereld een bloeiende interesse voor interactieve literatuur en haar voorgangers. Men ontdekt het mogelijke literaire potentieel van interactive fiction, en stort zich op Zork, RPGs, Addventure, en stoot en passant op het belang van de interface.

We kunnen nog verder teruggaan. Naar Ted Nelson die midden jaren zestig droomt van een wereldomspannend netwerk van teksten, een gedistribueerde elektronische encyclopedie van alle kennis. Of naar midden jaren veertig en Vannevar Bush's voorstel van een machine die gebruikers in staat stelt om hun pad door informatie (opgeslagen op microfilm) op te slaan. Inmiddels betreft dit verplichte stof in elke media-opleiding.

Destijds viel vooral de overeenkomst tussen de favoriete metaforen van de poststructuralistische literatuurwetenschap en de terminologie van hypertekst in het oog. Kortgezegd ziet de poststructuralistische literatuurwetenschap teksten als een web, als een weefsel, en beschouwt lezen als een activiteit die de tekst tot leven brengt, uitvoert. In hyperteksten is lezen een activiteit, zonder klikken verschijnt er geen tekst, de links weven letterlijk een web van teksten, waarin de lezer navigeert, en zijn eigen pad uitstippelt. Zulke teksten hebben geen begin en einde maar waaieren uit als een rizoom. Het was erg verleidelijk om de komst van de elektronische teksten te zien als het moment waarop de lezer de macht grijpt, de bevrijding van tekst en lezer uit de kluisters van het drukwerk en het boek met haar lineariteit en vraag om afgerondheid.

Mijn favoriete boek uit die tijd is Richard Lanhams The Electronic Word, (1993). Hij verdedigt de stelling dat het elektronische woord voor een andere status en omgang met retorica zorgt. Sinds het humanisme, bij Lanham gepersonifieerd door de ideeën van Petrus Ramus (1515 - 1572), tot de komst van het elektronische woord heerst de opvattingen dat een tekst transparant moet zijn: door de tekst heen kijkt de lezer naar de afgebeelde wereld, onbewust van het gebruik van taal als materiaal. De CBS-stijl heerst: clarity-brevity-sincerity. Het elektronische woord stelt de oude retorica weer in ere: je kijkt zowel door de tekst, als naar de tekst.

In Nederland schrijft Louis Stiller dan een essay over de computer en literatuur, met verwijzingen naar onder andere Calvino en Raymond Queneau. Hij wint er de ECI-essayprijs mee. Samen met Peter Mertens zet hij een uitgeverij voor elektronische literatuur op: Album. De eerste uitgave is Schaman gaat voor Goud van Gert-Jan van Schoonhoven, dat in de meeste grote kranten welwillend wordt onthaald. MOO's maakten creativiteit los, de Metro van de DDS -- een van de vroege voorlopers van Second Life -- zorgde voor een soort literaire 'kick'. Er werden literaire avonden over het einde van het boek georganiseerd (de verkeerde vraag, zo bleek als snel), bij Literatuurwetenschap werden de eerste colleges Elektronische literatuur gegeven. Schrijvers als Dirk van Weelden doken enthousiast in het onderwerp.

Wat is hier van over, in 2007? Dat er geen bloeiende literaire hypertekst-scene is ontstaan wekt niet echt verbazing. Het bleek nogal lastig te zijn om in je eentje een goeie hypertekst te schrijven. Tijdrovend ook. Schrijven, en dat gaat nog steeds op, is vooral een kwestie van woorden achter elkaar zetten. Hypertekstliteratuur bleef een beetje een Fremdkörper -- links werkten veel beter voor archiefontsluiting, informatiemanagement en voor games.

Nieuwe medialiteratuur houdt meer in dan alleen hypertekst, er is ook geanimeerde poezie, sound poetry, games, ascii-art, codework, perl-poetry, database-literatuur. En toch is er wel een en ander te vinden. De voorbeelden die altijd genoemd worden: De Amerikaan die ik nooit geweest ben van Chris Keulemans -- die toont wat hypermedia kan zijn. Er was een project van Paul Mennes Kaufhaus Inferno. Er is sound poetry (Jaap Blonk, Jelle Meander), geanimeerde poezie (Mark Boog, Tonnus Oosterhoff), er zijn wat goed geschreven blogs, er zijn dichters die hun work-in-progress online publiceren (Han van der Vegt) of die zo nu en dan het experiment aangaan (Samuel Vriezen). De hypertekst van nobodyhere.com (Jogchem Niemandsverdriet) is zo goed als een klassieker geworden. Het Fonds voor de Letteren stimuleert nieuwe media poëzie en daar komen soms mooie dingen uit voort. En dan zijn er gewone literaire tijdschriften, sites voor amateurschrijvers, en het serieuze debat over literatuur verplaatst zich meer en meer naar de online media. Wekt dit de indruk van een levendige cultuur, verbonden met de wereld van alledag? Of is het realistischer om te stellen dat het hier om een soort subgenre gaat, een elektronische variant van de avant-gardes, die zich, net als andere avant-gardes niet zelden ergens tussen de geijkte kunstvormen in bevindt, tussen beeldende kunst en literatuur, tussen muziek en poezie, tussen softwarekunst en literatuur.

Zeker is dat het internet een grote rol heeft gespeeld in de toegenomen interesse en waardering voor genres als klankpoëzie, visuele poëzie en constrained writing. Dat is tekenend voor de literatuuropvattingen van de vroege 21ste eeuw (vergeet de best-sellers). Dankzij bijvoorbeeld Ubuweb is zulke literatuur zeer toegankelijk geworden. De aandacht voor het internet en de mogelijke transformatie van de literatuur, dus de aandacht voor het medium en de verhouding tussen technologie en literatuur heeft bijgedragen aan het hogere literaire belang dat nu wordt gehecht aan het werk van, zeg, Raymond Queneau, Georges Perec of Gerhard Ruhm. Dat is in ieder geval een verandering in literatuuropvatting die iets te maken heeft met nieuwe media.

Literatuur is meer dan het boek. Het is zinniger om literatuur te zien als al het mogelijke 'literaire' werk met taal, dat zich in verschillende media kan manifesteren, en gebruik kan maken van verschillende infrastructuren voor verspreiding. Teksten zijn literair wanneer de nadruk ligt op het talige. Ik grijp dan -- stiekem -- terug op de definitie van literatuur van de Tsjechische structuralist Roman Jakobson. Hij redeneert vanuit een communicatiemodel: er is sprake van een poetic function, van een literaire functie van een tekst, wanneer een boodschap de aandacht primair richt op de tekst zelf. Alle andere factoren spelen ook een rol (de tekst refereert ook aan een wereld, zorgt dat het communicatiekanaal open blijft), maar we noemen een tekst literair wanneer de poetische functie domineert. Dat is overigens op z'n beurt weer afhankelijk van de culturele context en de opvattingen van de lezers en toehoorders over literatuur. Zo'n definitie -- waaraan ook wel problemen kleven -- heeft het voordeel dat ze losstaat van opslag- en distributiemedia. Zo'n defintie wordt des te belangrijker naarmate we 'elders' en 'anders' moeten kijken om de contouren van nieuwe media literatuur te ontwaren. Want ik denk dat er een soort onzichtbare literatuur is, ondergedoken in allerlei media, een literatuur die zich nauwelijk onder een label laat samenvoegen, maar die wel de aandacht vestigt op de taal en de tekst zelf. (Nu kun je beweren dat de term literatuur juist uitsluitend betrekking heeft op geschreven teksten; dat spreken van bijvoorbeeld orale literatuur een oxymoron is, en doet onrecht aan de verbale kunst van de orale samenlevingen. De teksten van hedendaagse performing poets en voordrachtskunstenaars worden in zo'n opvatting literatuur wanneer ze in boekvorm verschijnen en als woorden op papier 'staan' en de vergelijking met andere literaire dichters kunnen doorstaan. Vanuit de mediatheorie kun je dan een beetje pesterig wijzen op het feit dat bandopnames en digitale registraties van voordrachten of 'orale literatuur' die teksten tot geschreven teksten maakt. De LP, CD, Internet en DVD hebben de sound poetry en de performing poetry losgekoppeld van de performance-situatie.)

Talloze verhalenprojecten op het web worden gekenmerkt door het feit dat ze een gelegenheid scheppen voor gebruikers. Vaak vinden deze verhalenprojecten plaats in het kader van een buurtproject of is er een educatieve context. De 'auteur' van zo'n project is een team van ontwerpers dat de kaders vaststelt. De inhoud komt van de gebruikers. Je kunt zeggen dat het om community art gaat. Het is overigens niets nieuw, de vroege geschiedenis van de nieuwe media literatuur kent zulke projecten, zoals Invisible Seatle uit de jaren tachtig. Het is anonieme literatuur, er zijn wel namen, maar de namen van individuele auteurs zijn minder belangrijk dan het netwerk. Met de huidige mobiele technologie en consumentenelektronica die gebruik maakt van GPS krijgt dit soort literatuur een nieuwe vorm: locative art, of locative fiction. Teksten worden gekoppeld aan een specifieke locatie, zijn alleen daar te horen of te lezen. De stad wordt de kaart waarop het verhaal zich afspeelt, waar je doorheen kunt navigeren, of zelf aan mee kunt schrijven. Stadschromosomen in Antwerpen (een zusterproject van citypoems in Leeds) en Codex Kodanski in Rotterdam waren twee Nederlandstalige projecten. En de audiowandelingen van Willem de Ridder kunnen we beschouwen als voorloper van deze gelocaliseerde literatuur.

In de jaren zestig vulde de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon kolom na kolom in de krant -- zijn Boontjes. Niet zelden probeerde hij daarin ideeën voor zijn romans uit. Fragmenten uit de Boontjes komen later in bewerkte vorm terug in zijn romans, andere stukken werden weggegooid. Na zijn dood kon men zelfs korte romans die men verloren waande, uit de Boontjes destilleren. Ik zie daarin een parallel met de blogwereld van vandaag. Ook in en tussen sommige weblogs vinden we gedistribueerde verhalen, die soms -- met opzet of per ongeluk -- een literaire kwaliteit ontwikkelen. Soms vindt dit binnen een weblog plaats, soms verdeeld over meerdere blogs. Het is bijna onzichtbare literatuur -- omdat ze opduikt, en even snel weer verdwijnt in geklets.

Dan zijn er ook nog de projecten waarin een kunstenaar een fictief personage creëert, en verslag doet van zijn/haar avonturen, vaak met bijdrages van bezoekers. Een mengeling tussen online performancekunst en interactief verhaal. Dit zijn voorbeelden die zich niet altijd voordoen als literatuur, maar waar je de literatuur als het ware moet of kunt zoeken. Als je geluk hebt, vindt je er het literaire. Dit zijn ook projecten die opvattingen over het literaire veranderen.

Literatuur transformeert in tijden van nieuwe media. Bedenk ook dat het begrip literatuur, zoals het tot voor kort werd gehanteerd, pas in de loop van de zeventiende en de achttiende eeuw tot stand kwam. Daarvoor vervulden allerlei teksten, in allerlei genres, een vergelijkbare functie als literatuur in de negentiende en twintigste eeuw, zonder dat er sprake was van een overkoepelend begrip. Met andere woorden : er was literatuur voor er literatuur was. Wie in de 21ste eeuw zoekt naar bloeiende literatuur moet ook kijken naar de literatuur voorbij de literatuur, literatuur die misschien niet literair lijkt in de ogen van een 20ste-eeuwer, die anomiemer is, minder spectaculair, dagelijkser, toevalliger.

Gepubliceerd in 554.780 Woorden over Nieuwe Media Cultuur in Nederland, Instituut voor netwerkcultuur en Sandberg instituut, Amsterdam, 2008

some rights reserved
Arie Altena
index