Schrijven onder schot, een interview met Mark Leyner

Arie Altena & Kiki Coumans

I
'My whole life has been one long ultraviolent hyperkinetic nightmare, and I have the body of a grotesquely swollen steroid freak.' Met deze woorden beschrijft de hoofdpersoon uit Mark Leyners roman Et Tu, Babe (1992) zichzelf. De naam van het hoofdpersonage: Mark Leyner. Deze karakterisering geldt tevens als de kortste samenvatting van Leyners boeken: ze zijn compact, neurotisch en absurd. Mark Leyner, een generatiegenoot van Douglas Coupland en Brett Easton Ellis, is in Nederland zo goed als onbekend, maar werd in de Verenigde Staten een paar jaar geleden een cultschrijver met weirde boeken als My Cousin, My Gastroenterologist (1990) en Et Tu, Babe. Eind vorig jaar kwam zijn vijfde boek The Tetherballs of Bougainville uit.

In de tijd dat Leyner dit boek schreef zochten we hem op, nieuwsgierig als we waren wie er schuil gaat achter de fictieve Mark Leyners die hij in zijn werk opvoert. De echte Mark Leyner woont in Hoboken, een kleurloos stadje in New Jersey, op een veilig afstandje van New York City, met vanuit zijn achtertuin een fenomenaal uitzicht op de skyline van Manhattan. De extravagante weirdo die je je onvermijdelijk voorstelt op grond van zijn boeken lijkt in werkelijkheid meer op een bedaarde leraar Engels. De tijd dat hij door vrienden als voorproever werd ingezet om het effect van onbekende drugs uit te proberen, lijkt ver achter hem te liggen. Hij heeft inmiddels een gezinnetje (vrouw, peuter, hond) en zijn interieur is al even clean als hijzelf. Ieder spoor van persoonlijke interesses ontbreekt, zowel zijn huiskamer, die vooral wordt gedomineerd door een gigantische tv (groter dan zijn boekenrek) als in zijn schrijfkeldertje, het prototype van een studeerkamer van een nerd: kale muren, grijze vloerbedekking, lullig bankje, halfgevuld boekenrek en een lege tafel met een Mac Classic. Hier sluit hij zich iedere dag op om zijn verbeelding in gang te zetten. Hoe is het mogelijk dat iemand die zo's saai leven leidt op de proppen komt met fantasieën die in geen enkele Hollywoodfilm realiseerbaar zouden zijn? [deze alinea verder? Eerst persoon beschreven, dan pas boek]

II
Mark Leyner draaft verdacht vaak in zijn eigen boeken op als een - op z'n zachts gezegd - nogal briljante en succesvolle schrijver. In Et Tu, Babe, Leyners enige boek dat in de buurt komt van een te definiëren genre - roman -, fantaseert hij uitgelaten voort op de aanprijzing van criticus Larry McCaffery, die Leyner, destijds een marginale innovatieve auteur, naar aanleiding van My Cousin, My Gastroenterologist 'de meest intense en in zekere zin de allerbelangrijkste jonge prozaschrijver van Amerika' noemde. Et Tu, Babe beschrijft het waanzinnige succes van Mark Leyner, die op een dieet van vitaminenpillen dat een ander mens onmiddellijk zou vloeren wegens oververhitting van het lichaam, zijn weergaloze werk uit zijn powerbook ramt, zijn eikel ingesmeerd met extra hete chilisaus, voor inspiratie.

Dit megalomane boek werd in zekere zin een self-fulfilling prophecy: na het verschijnen ging Leyner deel uitmaken van het mechanisme van celebrity making dat hij in het boek parodieert. Hij belandde op de cover van het New York Times Magazine (met naast zijn gewichtheffende ontblote bovenlichaam de tekst 'America's best-built comic novelist'), was te gast in de Lateshow van David Letterman en kreeg het aanbod een column te schrijven voor het blad Esquire. De verschillende stukken die hij in toen schreef werden gebundeld in Tooth Imprints on a Corn Dog, waarin onder andere een briljante update van Hawthorne's Amerikaanse klassieker Young Goodman Brown (die in Leyners versie niet verdwaalt in het boze bos vol geesten, maar in een gigantisch warenhuis met meer dan twintig verdiepingen onder de grond).

III
Sommige fans en critici hoopten dat Leyners volgende boek een echte roman zou zijn zodat hij eindelijk zou kunnen toetreden tot het gezelschap van 'echte' schrijvers. Die hoop had geen oog voor de inzet van Leyners schrijven, en werd dan ook niet vervuld. Het eind vorig jaar uitgekomen The Tetherballs of Bougainville is - in de nadruk op stijl en vorm, het aandikken van absurditeiten, en het niet beantwoorden aan de literaire conventies - een terugkeer naar Leyners oorsprong: literaire innovatie.

IV
Op de vraag welk effect hij nastreeft in zijn boeken blijkt dat Leyner het vreemd-maken van het dagelijks leven hoog in het vaandel heeft staan: 'Ik zou willen dat de lezer mijn werk benadert zoals de Europese antropoloog in het Amazonegebied, die een heuvel beklimt en ineens stuit op een persoon die er uiterst vreemd uitziet en bij een stam hoort die nog nooit eerder is ontdekt.'

Hij bereikt dit effect door zijn verhalen op alle fronten zo extreem mogelijk te maken. Ze hebben de intensiteit van popmuziek, de snelheid van MTV-clips en de personages hebben de psychologische diepgang van stripfiguren. Leyner is als schrijver een 'gomi no sensei': een meester van de rotzooi. Hij recyclet de informatie die op hem afgevuurd wordt: tv-shows, reclameslogans, het nieuws, rare medische ontwikkelingen, body building, biologische theorieën, klassieke literatuur, cyberpunk - en hij mengt het allemaal vrijelijk door elkaar in zijn verhalen. Leyners boeken lezen is als zappend televisiekijken. Werkelijkheid en fantasie lopen dwars door elkaar heen en extremen zijn zonder overgangen naast elkaar gezet. Er wordt zo ongeveer per alinea van onderwerp gewisseld; als de hoofdpersoon iets te lang in een alinea rondwandelt, gaat hij zich onbehaaglijk voelen. Leyners boeken lijken zo de èchte 'vertellingen voor een versnelde cultuur' (de ondertitel van Generation X van Douglas Coupland). De grootste angst van de schrijver lijkt te zijn dat de lezer zich zal vervelen.

Elke zin moet dan ook barsten van de spanning: 'Mind blowing, maximum flat-out drug overkill' is waar hij naar streeft. Hij wil de lezers bij de lurven grijpen en ze happend naar adem om genade laten smeken. 'Ik heb altijd een soort extreem intense literatuur willen schrijven, zodat je op elk willekeurig plekje op de pagina een enorme intensiteit hebt. De boeken die ik op jongere leeftijd las, hadden toch van die ups en downs. Al die overgangspassages, lange beschrijvingen van familieachtergronden, dat soort passages sloeg ik meestal over. Tegelijkertijd hebben zulke boeken ook de meest fantastische crescendo's en hoogtepunten, maar een hoop leek alleen maar functioneel voor het verhaal. Het leek mij interessant om boeken te schrijven die voortdurend spectaculair zijn, in elke zin en elke paragraaf. Het is eigenlijk een hele decoratieve, rococo-achtige stijl, waarin alles jeweled is. En dat is precies de bedoeling van mijn boeken. Ik wil de lezer iets voorschotelen dat aan één stuk door opwindend is, zeg maar als een voortdurend orgasme zonder echt klaar te komen.' Proza met special effects als het ware.

Het is wat dat betreft literatuur van (en voor) een generatie die opgegroeid is voor de televisie, voor lezers die zich rekenschap geven van het feit dat ze in een wereld leven waarin die media niet alleen sterk beinvloeden wát je waarneemt, maar ook h óe je waarneemt. Ze zijn, in hun manier van kijken en ervaren, gevormd door de televisie en de andere massamedia, die functioneren op basis van een spectaculaire logica. Lezers die leven van het informatiebombardement, die gewend zijn om flitsende effecten zonder inhoud op zich af te laten komen: lang leve de popcultuur, technologie als de natuurlijke omgeving en Attention Deficit Disorder als een voorwaarde om te overleven.

V
Leyner ziet zelf een verband tussen hoe hij leeft en hoe hij schrijft: 'Het heeft misschien te maken met de typisch Amerikaanse gefragmenteerde manier waarop ik mijn leven ervaar. Met een grote snelheid van fragment naar fragment bewegen. Ik leef een beetje alsof ik voortdurend achtervolgd word, alsof er bij iedere stap een ramp op de loer ligt. En mijn werk heeft ook dat neurotische. Het is iets waarvan de esthetiek me interesseert. Het kineticism van mijn werk is heel belangrijk, belangrijker dan personages en intrige. Het formuleren van psychologische diepgang voor mijn personages kost te veel tijd, en ik vind het niet erg om dat op te offeren.'

Personages, intriges en psychologische diepgang, het zijn binnen Leyners universum categorieën uit een wereld die voorbij is, een filosofie en een literatuuropvatting die niet passen bij deze tijd:

'Ik geloof niet zo in de mens als een soort afgeronde, enkelvoudige entiteit met een ziel. Mensen proberen altijd verschillende personen tegelijk te zijn, wie je bent is voortdurend in beweging, en in botsing. We creëren onszelf voordurend opnieuw. En ik geloof niet zo in de traditionele opvatting over diepte. Volgens mij is diepte vaak alleen maar een ander soort oppervlakte. Hoe meer ik te weten kom over wetenschappelijke dingen als hoe dingen in een lichaam werken, bijvoorbeeld hoe het afweersysteem indringers van buitenaf herkent aan de vorm, hoe meer ik daarvan overtuigd raak. Soms is het goed om ook aandacht te hebben voor de manier waarop dingen zich van buiten aan ons voordoen. Het idee dat uiterlijk onbelangrijk en oppervlakkig is, is eigenlijk heel ouderwets, het is in feite een conventie.'

Als er geen verschil is tussen diepte en oppervlakte, dan heeft het ook weinig zin om onderscheid te maken tussen de 'ik' die je zelf, diep in je hart bent, en de rol die je in een bepaalde situatie speelt. Het met grote snelheid bewegen van fragment naar fragment betekent: je nooit vast laten leggen, elke keer jezelf opnieuw definiëren in de fragmentarische situatie, een rol aannemen die bij dat fragment van de werkelijkheid past. Daarna vertrek je weer, opgejaagd, naar de volgende fragmentarische situatie waar zich hetzelfde proces afspeelt. Het is de oude Amerikaanse droom van elk moment opnieuw beginnen - in elke situatie nieuw kunnen zijn. Die droom van de pioniers en van de beats wordt bij Leyner ook op zinsniveau uitgespeeld door de lezer - samen met de personages - bijna per alinea met een nieuwe situatie te confronteren die nog absurder is dan de voorgaande.

VI
Leyners werk is een voortdurende hyperbolische en parodistische beschrijving van Amerika. Het is een beschrijving van hoe Amerika zichzelf ziet in de spiegel van de massamedia. Zijn verhalen zijn doorspekt met bizarre vindingen als organen met tatoeages in radioactieve inkt die oplicht op röntgenfoto's, ziekenhuizen voor zelfchirurgie, een New Age-CD met het vertraagde geluid van het harsen van Cindy Crawfords benen, of een bewerking in 'black english' van Wagners Ring des Nibelungen. Toch blijft het onduidelijk of Leyner met zijn bizarre overdrijvingen ook echt uit is op kritiek op de op hol geslagen massacultuur. Aan de ene kant zijn de ingrediënten van zijn verhalen zo over the top dat het haast niet anders kan, maar aan de andere kant zijn zijn boeken door deze overdrevenheid eigenlijk 'alleen maar' grappig. Het is een hysterisch soort cultuurkritiek die als het ware wordt overstemd door zijn eigen harde lach. Als we het onderwerp bij Leyner aansnijden, raakt hij zichtbaar geïrriteerd. We zijn niet de eersten die hierover beginnen. Hij is meermalen door serieuzere collega's aangevallen dat hij uitsluitend zou schrijven uit effectbejag. Zijn intelligentste en meest welbespraakte criticus in de VS is David Foster Wallace, de auteur van het ultieme jaren-negentigboek Infinite Jest. In een essay over televisie en literatuur, 'E pluribus Unam', onderwerpt hij Leyners boeken aan een rigoreuze kritische analyse. Hij bewondert Leyner bovenmatig om zijn stijl, maar betreurt het dat Leyner volgens hem volledig ten prooi is gevallen aan de verleidingen van de televisie. Hij noemt Leyners werk 'a piece of witty, erudite, extreme-high quality prose television'. Volgens Wallace is Leyner met zijn tv-proza maar op één ding uit: indruk maken, de kijker vloeren door visuele effecten zonder ruimte te laten voor reflectie. Voor Wallece is deze 'amphetaminic eagerness to 'wow' the reader' te weinig.

Leyner verdedigt zich op de vraag naar het met een verwijzing naar het dogmatische karakter van al te duidelijk geëngageerde literatuur. Ondubbelzinnige maatschappijkritiek geven is wel het laatste waar hij op uit is: 'Toys 'R Us, of de dunne darm, of de naam van mijn vrouw, dat zijn voor mij allemaal gelijkwaardige elementen voor mijn werk. Ik werk met het effect dat die elementen op de lezer hebben, daar maak ik als het ware een choreografie mee voor de reacties van de lezer. En dat is iets heel anders dan dat er van mij een soort maatschappijkritiek verwacht wordt. Ik probeer mensen met mijn boeken een bepaalde ervaring te geven en dat wil niet zeggen dat ik vind dat ze die ervaring 24 uur per dag zouden moeten hebben. Ik zeg niet dat mensen niet de tijd voor dingen moeten nemen en met elkaar moeten praten, het is geen religie ofzo. Als ik ideologischer zou schrijven, dan zou dat alles teniet doen, de snelheid van het werk en het plezier dat die snelheid geeft, en het verrassingselement. Ideologie is sowieso wel het laatste dat mij kan verrassen. Moralisme en politiek engagement zijn vaak de snelste manier om het sublieme de nek om te draaien.'

De ervaring van het sublieme overbrengen door de realiteit zo vreemd voor te stellen dat ze absurd wordt, met behulp van een hyperkinetische stijl, dat is de inzet van Leyners werk. Het is, zoals Wallace zegt, 'designed to appeal to the 45 seconds of near-Zen concentration we call TV attention span'. Leyners bomvolle zinnen wekken een korte concentratie op die op niets dan leegte uitloopt, waarvan niets of weinig beklijft. Het is proza voor mensen met een extreme short attention span, voor mensen die gek zijn op snelheid, op het in zo min mogelijk tijd verwerken van zoveel mogelijk informatie.

En dat is niet per se negatief. Het geeft inzicht in hoe wij in elkaar zitten, hoe wij door het televisiekijken geworden zijn. Door voor deze strategie te kiezen toont Leyner via taal wat er met ons gebeurt wanneer we ons onder vuur laten leggen door die spectaculaire media, wat er gebeurt met ons info-junks. Leyners werk zou opgevat kunnen worden als een colonoscopische onderzoeking van het gemediatiseerde grotestads-Amerika en van Mark Leyner himself. Het is een onderzoek naar de vraag: hoe worden al die data die er op je worden afgevuurd verwerkt? Worden ze als voedsel verteerd? En wat wordt er dan uitgescheiden? Hoe ziet het er in de ingewanden van de hersenen van een infojunk uit? Neem de info-junk Mark Leyner zelf als voorbeeld: een nette man in een buitenwijk, een saaie leraar, maar in zijn hoofd broeit het.

En daarom kan Leyner op de aanvallen over gebrek aan maatschappelijke betrokkenheid niet anders reageren dan door zich nóg dieper in te graven in zijn oppervlakkigheid. 'Uiteindelijk komt het erop neer dat ik dingen wil maken die goed in elkaar zitten en die bijzonder zijn voor mensen om te lezen, en waarvan je niet eenvoudigweg kunt zeggen dat het een kritiek op de popcultuur is óf gewoon grappig. Mensen nemen mijn boeken minder serieus omdat ze zo humoristisch zijn, en juist daarom probeer ik mijn nieuwe boek nóg grappiger te maken, nu ga ik echt alles grappig maken. Gewoon om te zien wat er dan gebeurt. Ik ga dus precies doen waar ik op aangevallen word. Alsof iemand een pistool op mijn hoofd zet en dreigt dat hij me doodschiet zodra ik niet meer grappig ben. Zo zijn eigenlijk al mijn boeken geschreven, alsof ik zit te praten tegen iemand die me onder schot houdt, en ondertussen probeer ik aan één stuk door grappig te zijn.' Dit zei Leyner toen hij schreef aan The Tetherballs of Bougainville.

Misschien is het inderdaad een misvatting om aan Leyners metafictionele humoresken een ondermijnende kracht toe te schrijven, en zijn ze niet meer dan grappige verhalen van een op hol geslagen fantast. Maar het feit dat juist deze vorm van humor als immens grappig ervaren wordt, zegt wel iets over hoe wij de wereld ervaren. Daarom verdient het 24-uurs entertainment van Leyner zeker een plek naast Coupland en Ellis. Laat me lachen anders schiet ik je door je kop, sucker.

some rights reserved
Kiki Coumans en Arie Altena, 1998

index