Hoe het werkt

Over My First Recession van Geert Lovink

Arie Altena

My First Recession. Critical Internet Culture in Transition, Geert Lovink. NAi Uitgevers i.s.m. V2_Organisatie, Rotterdam 2004, ISBN 90-5662-353-2, 22,50

In mei 2004 werden de winnaars bekend gemaakt van de Prix Ars Electronica 2004: de Wikipedia (http://www.wikipedia.org) en Creative Commons (http://www.creativecommons.org). Beide websites zien er op het eerste gezicht nogal onspectaculair uit. De Wikipedia bezit het uiterlijk van een portalsite uit het jaar 1996 en bij de Creative Commons gaat het uitsluitend over eigendomsrecht, licensing en copyright. Saai. Is dit waar het nu om draait in de internetcultuur? Wie niet beter weet zou kunnen denken dat de fut er definitief uit is. Maar schijn bedriegt. De Creative Commons is een succesvol initiatief om een juridische onderbouwing te geven aan de nieuwe opvattingen over intellectueel eigendom, hergebruik en delen van informatie die zijn ontstaan op het internet. De Wikipedia is een online-encyclopedie waarvan de inhoud bestaat uit bijdrages van gebruikers. Het draait op een wiki, software die ervoor zorgt dat iedereen onmiddellijk inhoud kan toevoegen en bijdrages kan aanpassen of aanvullen, zonder inloggen en zonder registratie. Wiki's garanderen als technologie een zo groot mogelijke mate van vrijheid voor alle gebruikers, maar, zo blijkt, er blijven menselijke beslissingen nodig en er worden gebruikers uitgesloten.

Wat er allemaal geregeld moet worden om ervoor te zorgen dat op het internet een zo groot mogelijke vrijheid gewaarborgd wordt en bovendien een goede uitwisseling van gedachten en ideeën tot stand komt, is het centrale onderwerp van My First Recession van Geert Lovink, de Nederlandse internetcriticus van het eerste uur. Lovink is bekend om zijn betrokkenheid bij onder andere de DDS, Nettime en Next Five Minutes. Hij publiceert inmiddels meer dan 10 jaar over (en op) het internet. My First Recession, Lovinks PH.D-thesis, is het derde boek dat in korte tijd van hem verschijnt. Eerder verschenen Uncanny Networks, een bundeling interviews die Lovink door de jaren heen maakte met vooraanstaande figuren op het gebied van de mediatheorie en de ontwikkeling van het internet als politieke en culturele ruimte; en Dark Fiber (essays uit de periode 1996 tot 2001). Na jaren van online publiceren en na het einde van de internethype, was het blijkbaar tijd voor een kritische evaluatie. Hoe is het gegaan? Wat hebben we geleerd? Hoe werkt het in praktijk? Wat moeten we doen om voor de toekomst een democratische en betekenisvolle communicatie op het internet te garanderen?

In My First Recession analyseert Lovink hoe virtuele gemeenschappen als sociale netwerken functioneren. Het boek bestaat voornamelijk uit casestudies over projecten waar Lovink zelf bij betrokken was: discussielijsten over netkritiek, netkunst en free software, een experiment met streaming media, kunstonderwijs en nieuwe media, en open publishing-projecten als de collaboratieve weblog Discordia.us. Deze worden in een kader geplaatst door een hoofdstuk waarin de ideeën van de jurist Lawrence Lessig, de filosoof Hubert Dreyfus en de socioloog Manuel Castells met betrekking tot het internet kort belicht worden. Wiki's en de Creative Commons worden niet expliciet behandelt, al zijn beide perfecte illustraties van Lovinks pragmatische visie op het internet.

In My First Recession krijgen we een insidervisie te lezen van een activist die middenin de theorie zit en gepokt en gemazeld is door de praktijk. Het boek is een 'oproep tot engagement en verantwoordelijkheid' die voortkomt uit bezorgdheid over de vrijheid op het internet ten tijde van spamfilters, copyrightstrijd, bureaucratie, firewalls en de roep om veiligheid. De strijd die gevoerd moet worden om de vrijheid op het internet is volgens Lovink geen technologische, maar een sociale. Concreet vraagt Lovink in de casestudies naar de grenzen waar je in de 'smerige' praktijk tegenaan loopt -- grenzen waar iedere webmaster, discussieleider of moderator mee te maken krijgt. Hoe garandeer je dat iedereen zijn stem kan laten horen? En hoe zorg je ervoor dat niet een enkeling het voor iedereen verpest? (In internettaal: hoe ga je om met trolls?) Lovink is een radicale pragmatist, hij redeneert altijd vanuit de situatie zoals die zich voordoet, en gaat op zoek naar praktische oplossingen. Een praktische oplossing is niet de oplossing waar een ideale theorie om zou vragen, niet de ideale oplossing van de technocraat, maar een oplossing die voor mensen werkbaar is en, binnen de gegeven omstandigheden, een zo vrij mogelijke uitwisseling van ideeën garandeert, in de wetenschap dat je niet iedereen kan plezieren en er altijd iemand buitengesloten zal worden. Dat immers leert de praktijk van mailinglijsten tot wiki's. Lovink stelt terecht: 'Ik heb nog nooit 100% 'vrije' projecten gezien, er zijn altijd beperkingen, ofwel in kennis, ras en gender of in andere culturele factoren zoals taal.'(p. 242). Bovendien zijn overleven en duurzaamheid belangrijker voor een gemeenschap dan de een of andere definitie van absolute vrijheid want 'het duurt jaren om een sociaal netwerk op te bouwen -- en slechts dagen om het af te breken'. Lovink, zelf afkomstig uit de linkse activistische hoek, toont zich hier kritisch ten aanzien van de roep naar ongebreidelde vrijheid van zowel libertijnen als activisten.

Lovink beschouwt sociale netwerken als actoren die de technologie mede vormgeven. Hij haalt instemmend Linus Thorvalds, de man achter Linux, aan: 'Het is de samenleving die de technologie verandert, niet andersom'. Dat mag zo zijn, maar Lovink heeft juist ook oog voor de effecten van technologie op het functioneren van sociale netwerken. Technologie is geen vreemde macht die de democratie overvalt, Lovink stelt terecht dat democratische regels vastgeklonken worden in technische systemen en software. Het is immers ook de software die voor een deel regelt hoe we kunnen en mogen communiceren.

Volgens Lovink is democratie een 'agonistic culture', een cultuur van handelen, van doen - niet een verzameling door consensus tot stand gekomen wetten en procedures. Hij volgt Chantal Mouffe's idee van een radicale democratie, waarbij de verschillende stemmen in de publieke ruimte gemobiliseerd worden om een democratie vorm te geven en consensus beschouwd wordt als 'tijdelijk resultaat van voorlopige hegemonie, als een stabilisatie van de macht die altijd een vorm van uitsluiting betekent' (p. 23). Deze opvatting van democratie leent Lovink dan wel bij Mouffe, maar ze stoelt evengoed op tien jaar netkritiek bedrijven, discussies opzetten en discussies modereren. Als dit boek iets leert dan is het wel dat op begrip gerichte communicatie op het internet alleen tot stand komt dankzij zowel technologische als sociale en politieke factoren. Bovendien worden de beslissingen over technologie genomen door mensen, niet altijd op een niveau waar de internetburger invloed op heeft. Mensen die actie willen ondernemen, de vinger aan de pols houden en kritiek uitoefenen zijn continu nodig, zij zorgen voor democratie.

Dat er bijvoorbeeld nog altijd geen werkend economisch model gevonden is voor het publiceren van teksten of muziek op het internet (een micro-betaalsysteem is wel degelijk technisch realiseerbaar), wijt Lovink deels aan de neoliberale tijdgeest die zich kenmerkt door het recht om met rust gelaten te worden -- vind je deze site niks? maak er zelf een! -- en een blind vertrouwen in de technici -- die zullen de problemen wel oplossen. Laissez-faire biedt volgens Lovink geen oplossingen. We moeten politiek handelen. Binnen de context van Lovinks visie is duidelijk waarom Wikipedia en de Creative Commons belangrijke projecten zijn. Ze laten allebei zien dat we nog steeds de hoop mogen koesteren op Open Publishing. Ze tonen ook dat zoiets niet vanzelf gaat. De handen moeten uit de mouwen in de wereld van de 'dirty politics'. We moeten Creative Commons-licenties ontwerpen en steunen. Democratie en communicatie komen niet vanzelf tot stand.

Lovinks radicale pragmatisme is sympathiek, net als zijn realistische visie op vrijheid op het internet. Je zou hem kunnen verwijten dat hij geen weidse nieuwe perspectieven schetst en de dingen niet mooier doet voorkomen dan ze zijn. Maar de reden daarvoor is dat Lovink in de afgelopen vijftien jaar steeds de praktijk gezocht heeft in plaats van er, om het maar zo te zeggen, in tekst op los te fantaseren. Kritiek leveren op Lovinks bevindingen is dan ook niet eenvoudig. Ik denk dat er twee wegen openliggen. Een fundamentele kritiek op zijn visie zou in kunnen gaan op het vasthouden aan een oude opvatting van democratie en politiek -- want hoewel de technologieën veranderen en daarmee ook de samenleving, blijft bij Lovink het idee van een onderhandelingsdemocratie als ideaal in stand. Is er wat dat betreft geen radicaal andere visie nodig? Ook een theoretische aanscherping van de verhouding tussen technologie en het sociale zou welkom zijn. Die blijft nu, temidden van alle praktijkvoorbeelden, wat onderbelicht. Daarnaast is het mogelijk om vanuit de empirie kritiek te leveren, door te kijken naar hoe de delen van het internet functioneren die buiten Lovinks blikveld vallen, zoals commerciële chatsites, instant messaging, webforums, Kazaa en Bittorrent. Maar het zou goed kunnen zijn dat je dan tot conclusies komt die dicht aanliggen tegen wat Lovink zegt. Het mag dan allemaal niet spectaculair zijn en misschien zelf een beetje saai lijken, maar het tijdperk van de speculatie is allang voorbij.

Gepubliceerd in Open 2004
some rights reserved
Arie Altena
index