Omega Minor, Pynchon Reflex

Over de nieuwe roman van Paul Verhaeghen

Arie Altena

Het komt niet vaak voor dat je een Nederlandstalig boek leest dat acuut tot een 'Pynchon Reflex' leidt. Omega Minor, de in 2004 verschenen 614 pagina's dikke roman van de Vlaamse auteur Paul Verhaeghen heeft dat effect.

'Pynchon Reflex', zo schrijft de engelse recensent Jon Fasman in zijn bespreking van Neal Stephenson's The System of the World (TLS, 15 oktober 2004) - het derde deel van diens Barok-trilogie over de filosofische rivaliteit tussen Leibniz en Newton en de politieke tussen de Whigs en de Jacobieten - 'seems to be triggered by novels which are thematically based around or refer to science and require a rucksack instead of a briefcase'.

'Pynchon Reflex' refereert uiteraard aan Thomas Pynchon, wiens Gravity's Rainbow (1973) het hoogtepunt is van de Amerikaanse encyclopedische roman, gekenmerkt door thema's uit wetenschap en technologie, vol inktzwarte humor en vaudeville, hyperbolen, vreemde plots en paranoia. Het soort Amerikaanse roman waarin grenzeloze fantasie wordt gekoppeld aan Geschiedenis. Romans waarvoor de 'dikke duim' en nauwgezet bronnenonderzoek even belangrijk zijn. Dat is niet echt een Nederlandse traditie. Geen twintigste-eeuwse klassieker werd dan ook sneller verramsjt dan Regenboog van zwaartekracht, de Nederlandse vertaling van Pynchons meesterwerk.

Van Paul Verhaeghen (1965) had ik met plezier Lichtenberg (1996), zijn debuut, gelezen. Het is een hilarisch en idioot boek, met een motto van John Zorn (AAAAAAARRRRRRGGGGGHHHHHHH). Dat motto heeft me waarschijnlijk over de streep getrokken om die roman met afzichtelijke omslag toch uit de bibliotheek te lenen. Daarna verscheen een samen met Isabelle Rossaert geschreven brievenboek, De Venusbergvariaties (1999), dat ik iets minder geslaagd vond. Echt nieuwsgierig was ik geworden door de voorpublicaties van een nieuwe roman die in het Belgische tijdschrift Yang verschenen. De fragmenten speelden zich af in Los Alamos, de plek waar tijdens de Tweede Wereldoorlog het puikje van de wetenschap aan de ontwikkeling van de atoombom werkte. Kwantumechanica, Geschiedenis en paranoia. Dat Omega Minor inmiddels verschenen was, had ik gemist. Geen recensie gezien. Ineens stond de pil in de bibliotheek. Rode omslag. 614 pagina's.

'Een adembenemend epos over de waanzinnige twintigste eeuw' meldt de achterkant in flinke letters. Durf heeft Verhaeghen in ieder geval. In Omega Minor spelen jodenvervolging, nazisme en de atoombom een centrale rol. Verhaeghen schrikt er bovendien niet voor terug om scenes en plotwendingen te schrijven die je eerder in SF of pulp verwacht. De roman laat zich niet 1-2-3 samen vatten, bovendien zou dat een deel van het leesplezier vergallen - in die zin valt Omega Minor te vergelijken met de eerste de beste thriller. Het is inderdaad een potboiler, de roman zegt het over zichzelf, en gebeurtenissen voltrekken zich dan ook regelmatig volgens het schema van een roman noire. Verhaeghen voert ene Paul Andermans op die - net als Verhaeghen ooit - promotieonderzoek doet aan de universiteit van Potsdam. Andermans belandt in het ziekenhuis (in elkaar geslagen door neonazi's) en ontmoet daar ene Jozef de Heer, een holocaustoverlevende die net een zelfmoordpoging heeft begaan. Andermans wordt de registrator van het levensverhaal van De Heer, dat van de jaren dertig (onderduiken), over de oorlog (Auschwitz), de DDR (waarin hij een bekend goochelaar is) tot aan 1995 loopt.

Dit relaas wordt afgewisseld met andere verhaallijnen zoals die van de natuurkundige Goldfarb die in Los Alamos meewerkt aan de ontwikkeling van de atoombom, Andermans en Donatella in Potsdam anno 1995 (beide rijkelijk gelardeerd met natuurkundige theorie‘n en pornografie), een schets van de extreemrechtse neonazi-scene in voormalig Oost-Duitsland, de zoektocht van een jonge performancekunstenares, de geschiedenis van een jonge Vlaamse SS-er, et cetera. Verhaeghen verweeft deze geschiedenissen met elkaar (type: Donatella doet onderzoek voor Goldfarb), dist ze bovendien niet chronologisch op, en gebruikt in bijna allemaal de eerste persoon zodat je als lezer soms een alinea lang in het duister tast met wie je nu weer te maken hebt. Het gebruik van verschillende, niet chronologisch vertelde verhaallijnen is een uitstekend recept om een groots plot te suggereren, helemaal als er ook nog wat religieuze motieven in de kookpot gegooid worden (type getallenmystiek). Alles lijkt dan ook met alles te maken te hebben. Uiteindelijk leidt het tot een enorme knal en een Walpurgisnacht waarin (bijna) alles samenkomt, en de liefde overwint. Voeg daaraan toe een flinke lading metafictionele opmerkingen en je hebt een boek als een ziedende brij.

Al met al is het meer dan genoeg voor een acute aanval van het Pynchon Reflex. (Was het gebruik van het motto AAAARRRRGGGGHHHH in Lichtenberg niet al een subtiele verwijzing naar de meester, die het vierde deel van Gravity's Rainbow het motto 'What?' van Richard M. Nixon meegaf?). Overeenkomsten zijn er immers genoeg: aandacht voor technologie en wetenschap, voor pornografie (vooral de combi met film en vooroorlogs Duitsland), idote plots, arcane kennis. Ergens in het midden van Omega Minor duikt zelfs heel even Pig Bodine op, een personage uit het werk van Pynchon. En er is ook een overeenkomst qua stijl. Vergelijk 'Het is een lichtflits van onmetelijke kracht. Maar de FLITS komt niet van boven, zoals wij hadden verwacht.' (Omega Minor, p. 599) met de openingszin van Gravity's Rainbow: 'Een gil komt gierend door de hemel. Dat is al eerder gebeurd, maar deze laat zich met niets vergelijken.' (Regenboog van zwaartekracht, p. 7). Ook een passage op p. 549 lijkt rechtstreeks aan Pynchon te zijn ontleent. Zulke dingen doen het hart van een Pynchon-fan sneller kloppen.

Nu kan Verhaeghen kan qua stijl niet aan Pynchon tippen (wie wel?), daarvoor glijdt hij te vaak uit en laat zichzelf overweldigen door de soms gezwollen woorden en beschrijvingen die zijn vingers op het toetsenbord kloppen, maar het lijkt er minstens op dat hij goed naar Pynchon heeft gekeken. Verhaeghen is niet van de school van clearness en concisiveness. Hij schildert weidse taferelen en maalt niet om een paar extra woorden.

Omega Minor is in die zin een on-Nederlands, misschien zelfs een on-Vlaams boek. Het ontbeert, voor zover ik kan overzien, Nederlandstalig vergelijkingsmateriaal. Het boek is te overdreven, het is teveel, het loopt over, net als de Baroktrilogie van Neal Stephenson, net als diens Cryptonomicon (desondanks een hit). De roman is ongebalanceerd, en, hoewel onmiskenbaar literatuur, schurkt het tegen de pulp en de kitsch aan. Het is komisch, melodramatisch, over the top, te pornografisch, nauwelijks serieus te nemen en toch dodelijk serieus. Het is een lastig te plaatsen bastaard. Is het ook een goed boek?

Kees 't Hart noemt Omega Minor in zijn intelligente recensieĘ in De Groene Amsterdammer (33/2004, 14 augustus 2004) ironisch een 'daverend epos dat trilt van de grote gebaren'. Hij identificeert Omega Minor als potboiler: vergelijk het met Raiders of the Lost Ark, zegt hij. Hij breekt het boek vervolgens tot de grond toe af omdat het in zijn ogen niets is dan regelrechte literaire kitsch. Pitbullstijl. Generaliserende opblaasstijl. Aldus 't Hart.

Wie de regels van de goede literaire smaak toepast, op zoek naar literaire kwaliteit, zal het moeilijk hebben om het met 't Hart oneens te zijn. Overtreedt Verhaeghen in zijn overmoed misschien een paar regels teveel?

Een van de problemen van Omega Minor is dat een groot deel van het boek bestaat uit het relaas van een slachtoffer van de jodenvervolging. Moeilijk terrein voor een schrijver van de jaargang van Paul Verhaeghen (1965). Kun je er, als buitenstaander, literatuur van maken? Mag je het 'gebruiken'? Het levert de lezer een wat ongemakkelijk gevoel op, het boek gaat inderdaad naar kitsch ruiken, naar effectbejag van een nare soort. Helemaal omdat er ook al zoveel neonazi's in het verhaal rondlopen. Maar niet veel in dit boek is wat het lijkt te zijn. De waanzin wordt metafictioneel binnenstebuiten gekeerd. De passages die het meest authentiek zouden moeten zijn, blijken rechtstreeks overgenomen uit het werk van holocaustoverlevenden als Primo Levi en Durlacher. De jood De Heer blijkt SS-er te zijn, met een verleden als valsspeler. Hij is ondergedoken als 'holocaustoverlevende' in de DDR, tussen andere ex-SS-ers, verdiende zijn geld als goochelaar. De Heer jat en fantaseert zijn levensverhaal bijeen door te lenen uit de verhalen van anderen. Dat gegeven is minstens zo explosief als dat van De Joodse Messias, het meest recente boek van beroepsprovocateur Arnon Grunberg, waarin een nakomeling van een Nazi besluit jood te worden om de joden de goede boodschap te brengen.

Het gebruik van verhalen is precies wat Verhaeghen in Omega Minor interesseert. Geschiedenis, immers, is altijd tot op zekere hoogte fictie - geschiedenis wordt verteld, verhalen construeren een geschiedenis. In een interview met Herman Jacobs zegt Verhaeghen: 'Verhalen zijn altijd bewerkingen van de werkelijkheid, soms met de bedoeling de ander te manipuleren' (De Standaard 21 oktober 2004). Het blijft glas ijs voor Verhaeghen, omdat hij, als schrijver, de meest authentiek geachte (bijna heilige) verhalen van de twintigste eeuw in zijn roman als een vervalsing gebruikt. Koren op de molen van de revisionisten, die ook al niet al te subtiel gebruik maken van de postmoderne opvattingen over historiografie.Verhaeghen is zeker geen revisionist, wel een kind van het postmodernisme: hij toont dat, en hoe je in verhalen gaat geloven. Zijn personage Andermans laat zich lange tijd een oor aannaaien door De Heer. Het zijn de vrouwen in het boek, eerst Donatella, daarna Nebula die hem wijzen op zijn na•viteit. Bronnenonderzoek, dus nog meer tekst, tekst bovenop tekst, is noodzakelijk. Verhalen en documenten (tekst) zijn alles wat we hebben om geschiedenissen te schrijven. Nebula doet zulk onderzoek, zij duikt diep onder in neonazikringen, spit de archieven door, op zoek naar wat er gebeurd is, en komt zo een groots plot op het spoor.

Verhaeghen is cognitief psycholoog en woont in New York (net als het enfant terrible Arnon Grunberg de Lage Landen ontvlucht?). Aan Syracuse University doet hij onderzoek naar cognitive aging: wat gebeurt er met het werkgeheugen en lange termijn geheugen van ouderen? De papers die hij daarover publiceerde zien er vertrouwenwekkend ultra-academisch uit: degelijk statistisch en empirisch onderzoek. Omega Minor is in veel opzichten een literair onderzoek van de werking van het geheugen. Immers: De Heer ontwerpt om te overleven een zo goed als fictief verleden, hij liegt, zo goed dat hij zelf bijna in zijn leugens gaat geloven. Omega Minor lijkt zo ook een boek waarin Verhaeghen alles stopt wat hij niet kwijt kan in zijn academische werk, de 'flight of fancy', niet die van De Heer, vooral die van hemzelf.

Of het een goed boek is, weet ik nog steeds niet. Het is een meeslepende mix die soms teveel is, een boek waarin inderdaad iets van de waanzin van de twintigste eeuw wordt opgeroepen, voelbaar gemaakt, tot onderdeel van een kitschy potboiler wordt gemaakt en in dezelfde beweging tot een metafictioneel melodrama. Verhaeghen durft wel, als hij niet overmoedig is. Omega Minor is bepaald geen laffe kost. Bovendien, je leest niet elk jaar een Nederlandstalig boek dat tot 'Pynchon Reflex' leidt.

Paul Verhaeghen, Omega Minor, Meulenhoff/Manteau, Amsterdam/Antwerpen, 2004, 614p. 22,40 euro

Gepubliceerd in Cut-up, oktober 2004, http://www.cut-up.com/news/detail.php?sid=324
some rights reserved
Arie Altena
index