ARIE ALTENA

On Patrol
'Ken uw plaats in de samenleving'
Surveillance, dataveillance, sousveillance, equiveillance

0.
Aan het begin van de science fiction roman Trouble on Triton (1976) beschrijft de Amerikaanse auteur Samuel R. Delany zogenaamde 'ego booster booths', hokjes om je ego op te kikkeren. Je gaat naar binnen, duwt je government identity card in de sleuf, betaalt een klein bedrag en op het kleine videoscherm zie je drie minuten filmbeeld van jezelf, at random geselecteerd uit de databank van de overheid. Het zijn vrijwel zeker opnames die niemand ooit zag. Het geeft onzekere burgers een merkwaardig gevoel van zelfvertrouwen.

De 'ego boosters booths' zijn een direct uitvloeisel van de surveillance-activiteiten van de overheid. Delany stelt zich voor hoe dat is gegaan. Twaalf jaar eerder werd er nog ophef gemaakt over het feit dat de overheid gemiddeld tien uur video-opnames van het privé-leven van iedere burger bleek te bezitten. Een jaar later werd duidelijk gemaakt dat 99,999% van die informatie nooit door menselijke ogen werd gezien, ze werd opgenomen, ontwikkeld en gecatalogiseerd door machines. Ze was bovendien volledig onschuldig en kon zonder risico voor de staatsveiligheid publiek worden gemaakt. Nog een jaar later werd een wet aangenomen dat elke burger het recht gaf om deze opnames in te zien, waarna iemand, wiens naam altijd onbekend bleef, met het plan van de 'ego booster booths' kwam.

1.
Wie zich anno 2005 niet zo'n zorgen maakt over alomtegenwoordige bewakingscamera's en continue dataverzamelingsactiveiten, wijst er meestal op dat een goede burger niets te verbergen heeft. Bovendien, zo redeneert deze op orde gestelde burger, is surveillance hoogstnoodzakelijk om de veiligheid te garanderen. Camera's op perrons, in winkelstraten, in winkels, detectiepoortjes op school: wie zich aan de regels houdt heeft niets te vrezen. 'Ego booster booths' zijn dan een vorm van psychologisch entertainment, en het bewijs dat de overheid inzicht verleent in haar activiteiten.

Dat zo'n visie naïef is, maakt Delany al duidelijk door de ego booster booths het opschrift 'Know your place in society' te laten dragen. Ze zijn onderdeel zijn van een verborgen disciplineringsprogramma. Delany is, niet verrassend, een groot kenner van het werk van de Franse filosoof Michel Foucault, die in Surveillir et punir (Discipline and Punish), het panopticum van Jeremy Bentham als architecturale metafoor gebruikte voor de Moderniteit en de vorming van het moderne subject: het gevoel (of de wetenschap) dat men, al is de bewaker in het centrum onzichtbaar, continu wordt geobserveerd leidt tot zelfdisciplinering. Delany's 'ego booster booth' zijn daarvan een intrigerende variant.

2.
Om de huidige situatie te typeren is het wellicht beter om het woord dataveillance gebruiken. Bewakingscamera's zijn nog steeds het meest tastbare voorbeeld van surveillance; zulke camera's zien tegenwoordig in het donker, kunnen in- en uitzoomen, zijn gekoppeld aan software die opgenomen beelden analyseert, identiteiten herkent en afwegingen maakt over te verwachten risico's. Maar het verzamelen van digitale data over al onze gedragingen strekt veel verder, en gebeurt nog terloopser. Overal laten we digitale sporen achter van ons gedrag, sporen die niet zelden worden opgeslagen, verwerkt en geanalyseerd. Je identiteit wordt gevormd door de digitale sporen die je achterlaat: databases van banken, marketing-multinationals, particuliere dataverzamelbureau's en overheid, weten meer van je dan je jezelf kan herinneren. Pinpassen en creditcards laten een spoor achter van je aankopen en plaatsen waar je bent geweest. De lokatie van GSM's wordt continu vastgesteld, de data worden opgeslagen, zodat ook later, mits de verdenking op je valt, kan worden vastgesteld waar je GSM zich bevond. Van goederen wordt bijgehouden waar ze zich bevinden, en als de RFID-tags (radio-frequency-tags) barcodes vervangen, zenden ze voorzien van zulke tags continu hun positie naar de database die de goederen tracet. Goederen en mensen worden vernetwerkt, en de data, kan gelogd worden. Het klassieke voorbeeld is dat je koelkast je mobiele telefoon vertelt dat de melk op is, en je daaraan bij het binnenkomen van de winkel aan herinnert (aangezien de telefoon weet dat je daar binnen gaat). Voor sommige mensen is dat ongetwijfeld een uitkomst, de logistieke industrie zal niet zonder deze techniek kunnen. Dan zijn er nog de data van de GPS-satellieten, nu al onmisbaar voor de navigatiesystemen in auto's, en aan een opmars bezig in het wandeltoerisme.

Het gaat verder: de eerste huisdieren worden voorzien van een onder de huid geïmplanteerde RFID-tag, waardoor de eigenaar, dankzij het GPS-systeem ten alle tijde laat weten waar zijn geliefde huisdier is. Het is mogelijk om ieder kind van zo'n chip te voorzien, iedere nieuwgeboren baby, en er zijn mensen die dit een aantrekkelijk vooruitzicht vinden. Misschien krijgen we zulke chips niet ingeplant, maar de universele chipkaart met zendertje die automatisch ons treinkaartje aanmaakt en betaald zo gauw we door een poortje op het station lopen is zo goed als operationeel, in de nabije toekomst met irisscan en check van biometrische gegevens.

Er zijn verregaande plannen om internetproviders te verplichten alle 'verkeersgegevens' van hun klanten vast te leggen en op te slaan. Welke sites je bezoekt, en welke data je naar binnen slurpt wordt dan bijgehouden. Het internet, het klinkt paradoxaal, is zowel zwaar beveiligd als volledig open. Het netwerk is dichtgetimmerd met firewalls, want servers krijgen honderden zo niet duizenden aanvallen per minuut te verduren van malicieuze virussen en spyware, bijvoorbeeld verstuurd door malafide marketingbedrijven en datagroothandels. Iedere gebruiker heeft zijn eigen inlog en wachtwoord, en verkeerd zo in de veronderstelling dat de eigen data 'veilig' zijn. Aan de andere kant zijn gebruikers, zich nauwelijks bewust van het feit dat hun e-mails open en bloot over het netwerk worden gestuurd, spyware zich in hun browser nestelt, of dat hun servers worden gebruikt door spamverzenders. Wie herinnert zich overigens nog Echelon, het geheime programma van de veiligheidsdiensten die e-mail scande op verdachte woorden?

De meeste van die digitale data zal nooit door mensenogen worden gelezen. Zoals Harun Farocki's documentaire film-essay Auge Maschine I, II & III duidelijk maakt, zijn het machine-ogen die kijken, analyseren, afwegingen maken, en uiteindelijk zelfs beslissingen nemen. Alles is vastgelegd in algoritmes, de machines worden bestuurd door zelflerende programma's, wetgeving en beoordelingsstrategieën worden vastgelegd in de soft- en hardware.

3.
Bij zo'n opsomming is de verleiding groot om ten prooi te vallen aan paranoia. "Zij" houden ons continu in de gaten, elke voetstap is bekend en het zal alleen maar erger worden. We lijken af te stevenen op een situatie van een totale dataveillance, waarbij we in de illusie leven dat een groot deel van die dataveillance-activeiten alleen gebonden is aan die ene gebruiker (jijzelf) die over het wachtwoord voor de home-directory beschikt (alleen jij weet je hond met geïmplanteerde chip zich bevindt, alleen jij weet welke treinkaartjes je hebt gekocht). Terwijl mogelijk al deze data wordt gelogd en beschikbaar blijft, voor de autoriteiten? Dataveillance doordringt ieder aspect van de samenleving: het geldverkeer, de logistiek, de alledaagse communicatie, de zondagse wandeling. Foucault zou spreken van micropolitiek. Als iets duidelijk is, dan is het wel dat regelgeving op dit gebied nodig is, maar dat regelgeving alleen niet voldoende is. We moeten niet vergeten dat de samenleving een collectief is van mensen en niet-mensen, niet van mensen contra technologie.

Moeten we pleiten voor een inperking, of een afschaffing? Kunnen we dat nog? Delany schrijft, nog steeds in Trouble on Triton: 'such systems, once begun, insinuate themselves into the greater system in overdetermined ways: Jobs depended on them, space had been set aside for them, research was going on over how to do them more efficiently -- such overdetermined systems, hard enough to revise, are even harder to abolish.' (p. 4). De totale dataveillance is niet los te weken van de samenleving, zonder die samenleving grondig anders te organiseren. Paranoia en proberen te ontkomen aan de dataveillance-paraplu lijken nauwelijks nog productieve strategieën.

4.
In 1990 schreef Gilles Deleuze een korte update van Foucault's ideeën over de disciplinaire bewakingssamenleving. In de bewakingssamenleving begint het disciplineringsproces steeds opnieuw: eerst in de familie, dan op school, dan in de fabriek. Er zijn twee polen: het individu dat zichzelf is, en het nummer dat hij is in de massa. In de controlemaatschappij die Deleuze schetst, bestaat die tweedeling niet langer, individuen zijn er 'dividuals' geworden, onderdeel van de markt, continu verweven in de digitale controlenetwerken. De centralistische bewaking, dat de metafoor van het Panopticum aankleeft (de Staat als autoriteit in het centrum die alle onderdanen bewaakt), is vervangen door een slinksere gedistribueerde controle in de digitale netwerkmaatschappij. Maar het zijn nog steeds verschillende autoriteiten die controle uitoefenen.

5.
Surveillance leidt tot contra-surveillance. Het tactisch inzetten van camera's bij politieke of culturele acties is al meer dan tien jaar gewoonte. Betogers filmen het gedrag van de politie (waarop de politie prompt begon de betogers te filmen). Actievoerders brengen op websites de plaatsing van bewakingscamera's op straat in kaart, kunstenaars ontwikkelen tegenstrategieën of voeren theater op voor het oog van bewakingscamera's. Ook hier geldt dat camera's nog steeds het meest tastbare aspect en symbool van sur- en dataveillance zijn.

Een kunstenaar en onderzoeker die zich hiermee intensief bezighoudt is de Amerikaan Steve Mann. Hij kreeg bekendheid omdat hij met wearcam in zijn bril de straat op ging, inkopen deed, en de beelden publiceerde op zijn vlog. Als winkels hem mogen filmen bij het inkopen doen, zo redeneerde hij, mag hij ook filmen hoe de verkopers zich gedragen. Mann pleit voor sousveillance, zijn versie van contra-surveillance. Waar surveilllance plaats vindt vanuit een autoritair perspectief; van bovenaf, alleen de autoriteiten toegang hebben tot de opgeslagen data en de bewaking in een sluier van geheimhouding plaatsvindt, daar is sousveillance in de handen van mensen zelf, vindt ze plaats vanaf ooghoogte, verzamelen en publiceren burgers opnames van activeiten waaraan ze zelf hebben deelgenomen, en hebben ze vrij inzicht in de databanken. Wat een aangelegenheid was van de staat wordt een zaak van gedistribueerde gemeenschappen. In plaats van het autoritaire 'there's no privacy, get used to it', heerst er dan een 'there's no secrecy, get used to it.' Sousveillance zal, aldus Steve Mann, leiden tot een evenwichtige situatie, die hij equiveillance noemt. Of Mann's voorstel een nastrevenswaardig alternatief is, is de vraag. Aan de ene kant doet het denken aan de academicus die zijn inlog en wachtwoord groot op zijn kamerdeur schrijft, want 'ik heb niets te verbergen'. Aan de andere kant sluit Steve Manns idee heel goed aan bij het feit dat de mensheid nog nooit uit eigen beweging en bewust zoveel persoonlijke informatie heeft gepubliceerd als in de afgelopen vijf jaar. Er zijn (schatting mei 2005) negen miljoen weblogs waarop mensen over hun dagelijkse doen en laten rapporteren. Er worden miljoenen persoonlijke foto's en filmpjes online gezet die door iedereen met een internetconnectie kunnen worden bekeken, de populariteit van flickr.com, waar de foto's ook door gebruikers van trefwoorden worden voorzien, is enorm. Tegenover het ongemerkt achterlaten van digitale sporen, laat een deel van de mensheid ook opzettelijk een digitaal spoor achter, en bouwt continu aan een openbare digitale identiteit. Een groot deel van deze dat vindt zijn weg naar de zoekmachines en archiveringsdatabanken.

6.
We hebben het perspectief van een disciplinerende en controlerende instantie nog steeds nodig om de huidige dataveillance te analyseren, maar het wordt steeds moeilijker om alleen vast te houden aan dat perspectief. Foucaults analyse ging over de constructie van het moderne subject, die van Deleuze over het postmoderne subject in de netwerkmaatschappij. Misschien moeten ook proberen om we nieuwe invullingen van het subjectsbegrip en privacy te ontwikkelen vanuit nabije toekomstscenario's. Geldt bij al dat opzettelijk publiceren van persoonlijke data nog het moderne idee dat jijzelf vooral 'je eigen innerlijkste, inividuele zelf' bent, dat nauwelijks is mee te delen? Hebben we een ziel? En wat is dat dan? Moet die beschermd worden tegen zieleroof door de machines? Of ligt het anders? Wat voor vrijheden dienen gewaarborgd te zijn? Wat voor (soort) privacy? Het gaat er per slot van rekening om wat voor soort samenleving je voorstaat. Nog is het in de westerse wereld mogelijk te overleven zonder mobiele telefoon en niet sociaal geïsoleerd te raken. Het wordt wel steeds moeilijker. Sousveillance of ego booster booth?

Verwijzingen
Samuel R. Delany, Trouble on Triton, Wesleyan University Press, Middletown, Conn. 1996 (1976).
Gilles Deleuze, 'Postscript on the Society of Control', http://www.nadir.org/nadir/archiv/netzkritik/societyofcontrol.html, oorspronkelijk in L'autre journal, Nr. 1, mei 1990, en October 59, winter 1992, MIT Press, Cambridge, Mass, p. 3-7.
Michel Foucault, Discipline and Punish, the Birth of the Prison, Penguin, London, 1977 (1975).
Steve Mann, 'Equiveillance: The equilibrium between Sur-veillance and Sous-veillance', mei 2005, http://wearcam.org/anonequity.htm.

Geschreven in opdracht van De Appel, naar aanleiding van de tentoonstelling On Patrol, 2005
http://www.deappel.nl
some rights reserved
Arie Altena
index