Arno Schmidt en hoe ik aan zijn werk verslaafd raakte

Arie Altena

I
Hoe raak je verslaafd aan het werk van een schrijver? En als ik zeg verslaafd, dan bedoel ik daarmee een "geestelijke en lichamelijke afhankelijkheid", verslaving gaat een stap verder dan "gegrepen zijn", "geboeid zijn door", gaat verder dan, wat je vaak (maar niet vaak genoeg) overkomt: dat je een boek zo mooi vind dat je het niet meer weg kunt leggen. Ik ben ooit verslaafd geraakt aan het werk van Arno Schmidt. En ik vraag me af: waarom Arno Schmidt? Waarom juist Arno Schmidt en niet 1 van die andere schrijvers die me boeien en bezighouden.

Het gebeurde twee winters geleden. Ik draalde al jaren om Schmidt heen, pakte wel eens een boek van hem van de plank in de bibliotheek, probeerde wat te lezen en werd niet gegrepen. Zette het boek dan maar weer terug. Zoiets blijft knagen. Tenminste, zo gaat dat bij mij. Twee winters geleden dan leende ik zonder duidelijke reden Leviathan, de Suhrkamp-uitgave, en een Fischer-pocket van Das Steinerne Herz uit de Openbare bibliotheek aan de Prinsengracht. En toen gebeurde het. Ongeveer 4 bladzijden op weg in Leviathan.

Ik viel voor het dagboekachtige karakter van de vertelling. de gebalde taal, het verslag van een allerlaatste strijd: de ontsnapping: Im Waggon / Eigentlich ist es Wahnsinn, daß wir überhaupt fahren wollen; es kann uns passieren, daß 500 Meter weiter die Schienen gesprenngt sind. Wanhoop, de wereld een totale ruïne. Februari 1945, Berlijn, een gedesteerde soldaat en een stelletje ongeregeld probeert te ontkomen. In 1 adem las ik. Leviathan, Gadir, Enthymesis oder W.I.E.H.

Verslaving komt niet bij donderslag. Hoe merk je dat je verslaafd bent? Je weet dat je van boeken lezen houdt, je kent het gevoel van onbevredigdheid als je een week lang niets hebt kunnen lezen. Maar wat mij gebeurde bij het lezen van Schmidt had daar niets mee te maken. Ik las Das Steinerne Herz en dacht: dit moet het saaiste boek zijn dat ik ooit gelezen heb. Het gaat over eenkantoorklerk die op zoek is naar een ontbrekend deel van een een of ander naslagwerk uit 18-nogwat - en toch las ik. Nee: ik moest tot mijn schrik constateren dat ik de slaap niet kon vatten tenzij ik eerst 10 pagina's Schmidt-sen-zinnen gelezen had. Ik heb nooit moeite om de slaap te vatten en ik lees zelden voor het slapengaan. Hier was iets aan de hand dat ik nooit eerder had meegemaakt. Al was ik stomdronken en al begreep ik geen woord Duits meer: eerst 10 pagina's Das Steinerne Herz. Ik kon niet terug. "Hooked". Toen ik Das Steinerne Herz uit had kocht ik Die Gelehrtenrepublik, las het, leende Brand's Haide.....Ik las enkel nog Schmidt......Seelandschaft, KAFF, en toen was het zomer en omdat in de zomer alles anders is hield het op. Tot de volgende winter aanbrak.

Ik viel voor zijn stijl, de flitsende zinnen, elke keer het aanloopje waarmee de alinea begint, en ik viel voor zijn beschrijvingen van landschappen. (Elk jaar aan het begin van de zomer overvalt me het verlangen om in Twente te gaan fietsen, ik zie dan de velden en de akkers en de kleine bossen al voor me, zie de bloemen in de slootkant, ik zie al hoe ik rechtsaf sla de Zomerweg op, richting Markelo "Zomerweg volgen" zegt de ANWB-paddestoel; of langs het kanaal Almelo-Nordhorn, bij de Wateregge, landweggetjes, 'tis al bijna Duitsland. Schmidt in KAFF: ...Über'n Almelo=Kanal : Vechte=Sankt Augustinus=Vechte.) ; >>Endlich.<< (Sie war immer froh, wenn Sie die City Nordhorns hinter sich hatte; und die Neuenhauser Schtraße erreicht).

Waarom raakte ik verslaafd aan het werk van Arno Schmidt? Zielsverwantschap - of iets dergelijks - ? Het zij zo. Het zal zo zijn. Maar dat antwoord is mij niet genoeg. En als het zielsverwantschap is dan wil ik weten waar die in ligt en hoe die tot stand komt.

Waarom juist Schmidt? "Echt weer zo'n schrijver voor jou. Schmidt was dat niet die Duitse experimentele schrijver, zo'n enfant terrible en betweter, zo eentje uit de jaren zestig die Joyce nog eens dunnetjes overdeed; was dat niet die gek die uiteindelijk zelfs enorme acribische typoskripten vol onzin wist te slijten als meesterwerk, die een Duitse Finnegans Wake schreef. Onleesbaar spul. Toch? Zo een die zijn gebrek aan stof en diepgang verborg achter een masker van zogenaamde literair-technische innovaties? Dat was het toch? Zo'n schrijver heeft toch hoogstens nog literatuur-historisch belang? Bovendien, ooit dachten we misschien dat ie met interessante dingen bezig was en dat ie talent had, maar we hebben hem toch ontmaskert als charlatan? Noem mij een twintigste-eeuws schrijver die achterhaalder is dan Schmidt? Schmidt, da's voor wereldvreemde litwetters en Schmidt-fanaten, gekken. Dat wil verder toch niemand lezen?"

En als iemand mij vraagt: waarom vind je Schmidt zo goed dan vertel ik enthousiast over het experimenteren met prozavormen, dat het altijd over liefde gaat, dat de natuurbeschrijvingen zo mooi zijn, dat zijn stijl, de gebalde taal, de Initialzündung van de eerste woorden, dat dat zo goed is....en krijg ik de indruk dat ik machteloos sta te schreeuwen: "ja maar het is zo goed, zo mooi, zo fascinerend".

Misschien ben ik op zoek naar een antwoord dat niet bestaat. Het liefst zou ik willen dat ik, op z'n Schmidt's, een algoritme zou kunnen opstellen dat verklaart waarom ik wel voor het werk van de ene schrijver val en niet voor het werk van de andere. Een wetenschappelijke verklaring die bijvoorbeeld uitgaat van een overeenkomst tussen mijn hersenstructuur en die van macro- en micro-structuur van een reeks woorden ( = boek) dat mij lief is. De "zielsverwantschap" en de verslaving neurofysiologsch=wiskundig verklaard.

II
Schmidt, de selenomaan, de maanmaniak, moon-lover, in elk van zijn boeken schijnt de maan. Hij houdt niet van de zon = lichtbrenger, gever van leven, hij houdt van de maan die het licht=leven reflecteert. Hij, Schmidt, leeft van de literatuur. Zijn boeken zijn (100%)2 literatuur.

Schmidts vroege werk gaat bijna altijd over ontsnappingen, of het verlangen te ontsnappen. De hoofdpersoon is een "loner/Schmidt" die ofwel gevangen zit (Gadir) of zich opgesloten weet door de bestaande politieke, economische, sociale omstandigheden: in Leviathan het in puin geschoten Berlijn, in Brand's Haide de armoede, in Das Steinerne Herz en KAFF een kantoorbestaan zonder avontuur, zonder vooruitzichten. Zijn hoofdpersonen zijn geen helden en willen ook geen held zijn.

Eigenlijk is de liefde alles voor hen, maar de liefde is vol problemen. In Brand's Haide kiest Lore, de geliefde van de hoofdpersoon, voor emigratie naar Mexico waar ze trouwt met een man die ze niet kent. De liefde is een intermezzo, een week vakantie in de zomer - zo is het in KAFF en in Seelandschaft mit Pocahontas (overigens de mooiste liefdesgeschienies uit de wereldliteratuur). De hoofdpersonen zijn, of ze willen of niet: verbitterd.

Maar groter nog dan de liefde voor de medemens is hun liefde voor het archief. Gepassioneerd vlooien ze kerkboeken door, doorzoeken gemeente-archieven, speuren oude topografische kaarten af.

Als tegenwicht tegen de dagdagelijkse ellende construeren ze een imaginaire wereld op basis van hun onderzoekingen.

Hun geliefde archiefstukken zijn een 2-dimensionale "kaart" die een ontsnapping uittekenen naar een andere, betere wereld. bleibt nur: Kunstwerke; Naturschönheit; Reine Wissenschaften. In diesen Heiligen Trinität. - Und gut in Form bleiben (p.161). Die tweede wereld, die droom, is hun redding. In het construeren van die wereld kunnen ze de persoon zijn die ze zouden willen zijn, dan zijn ze de wetenschapper, of de kunstenaar, dan maken ze de wereld beter, mooier. Dat te doen, dat is hun opdracht.

En voor ons, de lezer, is het boek van Schmidt een kaart om te ontsnappen naar een andere wereld. Het boek wordt een LG (Längeres Gedankenspiel; Schmidt's term voor zulke werelden) en gaat over het construeren van LG's als redding in de wereld. Het verleent aan het verlangen om te ontsnappen, aan het construeren van LG, aan het lezen van boeken, nog een politieke, morele lading ook. Verzet!

III
Dit is een cruciaal aspekt in Aus dem Leben eines Fauns, dat immers tijdens de Nazi-tijd speelt. De hoofdpersoon Heinrich During koestert een diepe haat tegen alles wat Nazi heet. Maar hij wil geen held worden. Hij is alleen, zijn vrouw: begrijpt hem al lang niet meer, zijn zoon: zit bij de Hitlerjugend. During speelt het spel mee voor zover hij gedwongen is, maar innerlijk kolkt en bruist het van de haat. In zijn hoofd is hij almaar bezig met: kunst, natuurschoon en zuivere wetenschappen. Hij vindt door te wroeten in archieven een hut in het bos, daar 2 eeuwen geleden gebouwd door een Franse deserteur. Het leven dat hem onmogelijk gemaakt wordt door de Nazi's verplaatst hij naar deze hut. Ja, als een Robinson Crusoe bereid hij zich voor op de oorlog. Hem zullen ze niet krijgen. Ze zullen hem zijn privéleven - Kunst, Natuurschoon, Zuivere Wetenschappen - niet onmogelijk maken.

Zijn innerlijke oppositie leidt tot niets. Ja, maar, daar staat tegenover dat zijn analyse van de hypocrisie en de afzichtelijkheid van de wereld om hem heen messcherp en giftig is. En: zou iedereen doen als hij, dan was er geen oorlog, dan waren we allemaal dromers die genoegen namen met het beetje dat we hebben en ons leven in dienst stellen van wat werkelijk telt! Dan werd er alleen op papier gevochten.

De kritiek had het maar moeilijk met de <Faun>, en nog. Een tamelijk recent artikel maakt er een punt van dat Dürings=Schmidt wijze van oppositie niet produktief is, schijnverzet is. In 1953 staan tegenover 1 positieve recensie meerdere negatieve, die bijna even fel gesteld zijn als het proza van het boek dat besproken wordt. Het lijkt wel alsof de recensenten zich persoonlijk beledigd voelen. 1 recensist noemt Düring een huichelaar, dief, lafaard, leugenaar, echtbreker, een gedeukte boekhoudersziel die geen liefde kent, die zelfs zijn kinderen niet lief heeft! (Allemaal waar trouwens...). De <Faun> wordt een dokument van haat tegen de Geest, Taal en Mensheid genoemd. Of deze, (ook waar overigens) de hoofdpersoon...is in de kern een kleinburger die zijn rust verlangt en die op de meest aangename en gemakkelijkste manier het meest primitieve zinnelijk genot zoekt.

Moeten we Düring beschouwen als de ontmaskeraar van hypocrisie, als een dissident, of is ie gewoon een lafaard? Innerlijk verzet; is dat verzet? Is de vlucht ook een ontsnapping?

IV
Als ik de vraag probeer te beantwoorden: waarom deze schrijver mij boeit=ketent en niet een andere, dan moet ik iets zeggen over stijl, vorm, experiment. Is mijn verslaving te herleiden tot die overeenkomst tussen mijn hersenstructuur en de structuur van Schmidt's proza-zinnen? Schmidt ziet zichzelf als beoefenaar van de zuivere literatuur. Hij doet fundamenteel onderzoek. Schmidt, even uitleggen, zou willen dat we onderscheid maken tussen toegepaste en zuivere literatuur, net als in de wiskunde. De zuiveren, dat zijn die heel moeilijke, de onbegrijpelijke schrijvers, die alleen in de jungle voortstoten, zich met moeite een pad banen, pioniers, die nieuwe vormen en nieuwe woorden ontwikkelen (zie Sylvie & Bruno).

Schmidt gaat dapper waar niemand voor hem ging - ja, een enkele expressionist misschien. Hij wil prozavormen ontwikkelen die perfect passen bij wat zich voordoet in het bewustzijn, het zijn, letterlijk: Versuchen einer konformen Abbildung von Gehirnvorgange durch besondere Anordnung von Prosaelementen. (zie Berechnungen I & II, twee nogal ideosyncratische theoretische tekstjes waarin hij zijn proza-ideëen uiteenzet).

Als het gaat om experimenten dan is Christoph Martin Wieland (1733-1813) zijn leidsman: Unter uns Deutschen hat Keiner so tief über Prosaformen nachgedacht, Keiner so kühn damit experimentiert, Keiner so nachdenkliche Muster aufgestellt wie Christoph Martin Wieland (Faun p. 95). Hier is geen sprake van "het einde van de roman", geen sprake van bij nul beginnen (al is het Stunde Null). Schmidt vind in de oude literatuur hetzelfde "elan" (dat is nou eens een erg on-Schmidts woord) dat hij in de hedendaagse literatuur wil zien. Joyce heeft hij niet gelezen: Schnabel, Schefer en Brocke wel. Zij leveren hem voorbeelden.

In Aus dem Leben eines Fauns wordt de kwestie - m.b.t. de weergave van bewustzijnsvoorgangen - meteen op de eerste bladzijde aan de orde gesteld Mein Leben?!: ist kein Kontinuüm! We zitten midden in het bewustzijn van Heinrich Düring. Wat we lezen zijn korte zinnen. Schmidt is niet de man van de lange adem, als 1 woord volstaat dan staat er 1 woord. Een talige reaktie op indrukken van buiten. Impressionisme.

De indrukken worden weergegeven door middel van de rastertechniek (ook wel mozaiektechniek) waarop Schmidt het patent heeft. De "tekst" wordt in stukjes opgediend, opzichzelfstaande scenes, die beginnen met een uitspringende regel in cursief: het aanloopje, de Initialzündung. Er wordt iets losgemaakt, dan volgt de bewustzijnsreactie, dan het volgende, het volgende. Zo geeft hij zijn proza ritme. Steeds weer wordt je als lezer a.h.w. de alinea in gelanceerd. Misschien moet een literatuursocioloog er eens statistisch onderzoek naar doen - hoe je gelanceerd wordt en welk effect dat heeft.

Schmidt spelt de woorden zoals ze klinken. Nix Duden. En hij kiest rigoreus voor de weergave van het Plattdeutsch; zegt een boer in Brand's Haide: Wokeen heddidadd geem, dan schrijft hij dat zo op. Voor wie niet overweg kan met gesproken Duits is KAFF onleesbaar. Schmidt toont ons de rijkdom van het Plattdeutsch, van gesproken taal in het algemeen. Er is meer dan standaardtaal en standaardspeling!

Ook Schmidts interpunctie is....typisch en rijk. Zijn zinnen staan vol dubbele punten, puntkomma's, komma's, haakjes, schuine streepjes enzovoorts. Deze hebben niet alleen een ritmisch effect, ze moeten ook opgevat worden als concrete weergave van toestanden. Schmidt kort bewustzijnsvoorgangen af door een serie van vraagtekens, verbindingsstreepjes, uitroeptekens en alles wat interpunctie verder te bieden heeft. En dat jaren voor de smiley uitgevonden werd (;-))=.

(Tussendoor: Schmidt is met zijn voorliefde voor al die vergeten 18e-eeuwse schijvers te beschouwen als voorvader van de computerliteratuur, de literatuur die zich niet baseert op het handschrift, niet op de typemachine maar op een archiefmachine; literatuur die als een droom van onderling verbonden archiefkaartjes, DIN A6 of A7 of A8 zou kunnen zijn...Zettels Traum....).

Schmidt's werk heeft iets sterks....literatuur (100%)2. Wellicht is het de specifieke combinatie van de gebalde taal en de rastertechniek, samen met de "lancering" door de uitspringende zin, de interpunctie, het dialect en de afwijkende spelling (hadden wij er maar zo'n Schmidt!)...Schmidt heeft zelf zijn werk getypeerd als gedehydreert proza: de lezer heeft zelf water genoeg om het aan te lengen. Sterk spul. Een soort maggi/bouillonblokjes. Je moet er maar van houden. (Alice Schmidt aan de Michelsen, die de Schmidten koffie en etenswaar tegen gereduceerde prijzen bezorgde: Und noch was von diese Maggi-Wurfel, da.....mein Mann diese sehr gern im Essen hat).

V
Voor Schmidt is het je leven in dienst stellen van zuivere wetenschappen, natuurschoon en de kunsten, en je verre houden van het politieke gekonkel, een daad van verzet, oppositie. No in thunder, I'd rather not.

Het is een hopeloze oppositie misschien, vooral omdat Schmidt een dromer is en verwacht van dromers geen opbouwende kritiek, dromers, zeker verbitterde dromers, schelden alleen, ontleden de wereld tot op het bot en verwoorden hun dodelijke analyse haarscherp en gemeen, maar hun alternatief is uiterst particulier. Dromers zijn loners. Hun droomwereld: een dictatuur voor de ander. Het enige dat telt: de eigen ervaring, de eigen verbittering. Een roepende in de woestijn: Wee U, slaven!! Geen verhouding tot de medemens.

Arno Schmidt als voorbeeld: hij is een Aufklärer: atheistisch, anti-religieus, pacifistisch, negatief t.a.v. macht, anti-nationalistisch. Hij is een verdwaalde uit de 18-e eeuw, en hersenfetisjist ook nog.

Ja hij is aartsconservatief, geen revolutionair. Hij is elitair. al zegt hij ook dat de vierde stand hem het liefst is. Wat dat betreft is hij net als zijn geliefde James Fennimore Cooper, en net als de UnaBomber. Vrijheid = in het zweet des aanschijns je eigen brood verdienen. In het geval van Schmidt met een leven in dienst van de literatuur, en als dat betekent eikelstampot eten dan eten we eikelstamppot. Schmidt haat de moderne wereld. Hij haat auto's, hij haat het als andere mensen hun neus in zijn zaken steken. Op bellen wordt niet opengedaan. Toch, een voorbeeldfiguur in die zin dat hij tegen alle verdrukking in, na de oorlog, zijn eigen dingen bleef doen, netzolang doordramde tot hij gelijk kreeg (waarna de navordering van de Belastingdienst in de bus plofte). Maar ook: gewoon een mensenhater, een mensenhater.

Schmidt dwingt je tot een persoonlijke stellingname. Het is onmogelijk t.a.v. zijn werk onverschillig te blijven. Onverschillig blijven is Schmidt niet lezen. En het is de vraag of degene die zich wel tot een stelling laat dwingen een aanwinst voor onze maatschappij is.

Wat te doen anno 1997:....rigoreus terugtrekken in je hoofd en alles negeren? Wat een mooie wereld zou dat zijn!

VI
Wie stelt dat hij verslaafd is roept de vraag op of hij wil afkicken. Wil ik afkicken? Voor eerst nog niet. Of ik er een beter en aangenamer mens van wordt - voor de ander - ....kweenie. Ik heb me nog niet als Schmidt teruggetrokken achter een grote schutting, nog doe ik open op aanbellen, nog neem ik de telefoon op. En trouwens: in de zomer is alles anders.

some rights reserved
Arie Altena 1996

Dit is de tekst van een lezing die in december 1996 bij Perdu gehouden werd, ter gelegenheid van de presentatie van de Nederlandse vertaling van Schmidt's Aus dem Leben eines Fauns.

index