Wanneer is het een verhaal?

Arie Altena

Geschreven voor het Hybride Stad-project van de Media & design Academie in Genk. Het is opgenomen in de bij dat project gemaakte uitgave.

De twintigste eeuw was de eeuw van de massamedia en de openbare bibliotheek. Onze geschiedenis lazen we in boeken en de krant, en we zagen het, voor een kleiner deel, op televisie. Fototoestellen, filmcamera's legden vast, verhalen werden bewaard en verspreid in boeken. Media vormen de geschiedenis. Nu bewaren en verzamelen we verhalen op onze computer, grazen we het internet af, waar inhoud verknoopt wordt door links, metatags, matching-algoritmes en slimme software. Tekst, geluid en beeld slaan we op in databases, in bijvoorbeeld xml-structuur, en we gebruiken standaard door software geleverde functionaliteit om verbanden te leggen. De data kunnen evengoed opgevraagd worden door een webbrowser als door de huidige generatie mobiele telefoons.

Soms verzucht ik: 'dank u god, voor het internet'. Bijvoorbeeld omdat ik na vijf minuten zoeken gedetailleerde informatie over een specialistisch onderwerp heb gevonden. Of omdat ik verzeild raak in een niche van het web waar de ene na de andere klik een rijkdom aan verhalen, foto's, en kennis oplevert. Ik geef u drie hoogst subjectieve voorbeelden. Ten eerste de databases met informatie over de geschiedenis van het wielrennen 1 . Met elke klik verzink ik dieper in de geschiedenis, kan eindelijk de carrieres volgen van wielrenners wiens naam ik me al dertig jaar herinner. Ten tweede het onvolprezen Ubuweb 2, gerund door Kenneth Goldsmith, een Fundgrube voor de twintigste-eeuwse avant-garde: essays, sound poetry, experimentele film. Geen site heeft meer gedaan voor de bekendheid van twintigste-eeuwse innovatieve kunst. Werk dat vroeger en onbekend was en onbereikbaar tenzij je een gespecialiseerde bibliotheek om de hoek had, ligt hier aan je voeten: jaren lees-, luister en kijkwerk. Het derde voorbeeld is niet gelinkt aan specifieke sites, maar aan een netwerk van diverse blogs en een enkel forum.3 In 2006 en 2007 heb ik vrij intensief de discussies gevolgd over de freejazz uit de jaren zeventig, die zich afspeelden in een netwerk van mp3-blogs over freejazz, vrije improvisatie en moderne klassieke muziek. Veel 'vrije muziek' uit die jaren is nooit heruitgegeven, was destijds al moeilijk verkrijgbaar. Ik dacht behoorlijk goed op de hoogte te zijn, maar was hoogst verbaasd over de rijkdom die hier werd opgedolven. Ik heb muziek gehoord, want natuurlijk ging het hier ook om het downloaden van vinylrips van nooit heruitgegeven platen, de kwartetten van Frank Lowe en Butch Morris, Henry Threadgill's Air, op een haar na alles van Anthony Braxton uit de periode 1969 - 1976. Wanneer je de bronnen of archieven hebt gevonden, kun je zo diep gaan in je onderzoek als je wilt: zo diep als vroeger alleen mogelijk was voor een onderzoeker, een criticus, of als je 'lokaal' was. De toegankelijkheid van de geschiedenis is vergroot door de vernetwerking van digitale media. Het internet mag een groot sociaal netwerk zijn, een enorme supermarkt, een verzamelbak voor afval en geklets, het herbergt ook het rijkste, meest toegankelijke archief dat we ooit hebben gehad.

Ubuweb, de wielren-databases, noch verspreidde en gelinkte mp3-blogs zullen ooit een compleet archief vormen. Ze groeien. Elk stukje toegevoegde informatie is een stap dichter bij het complete beeld, maar creëert tegelijk nieuwe gaten in onze voorstelling van wat een 'compleet' beeld zou zijn. Het groeien gaat dikwijls tergend langzaam, en soms even heel snel, soms ligt het maanden stil. Immers, zulke netwerken zijn, zeker wanneer ze geen institutionele steun ontvangen, afhankelijk van de vaak onbetaalde arbeid van liefhebbers en professionals.

Niet archivering is het doel, maar de herbeleving en de actualisering van het verleden: er betekenis aan geven in de context van een hedendaagse interesse of het eigen leven. Interesse drijft bezoekers naar zulke sites. Die interesse wordt niet alleen bevredigd door het feit dat je wellicht vindt wat je zoekt, nog beter is dat je iets vindt waarvan je niet wist dat je het zocht, maar ook omdat er een levende en levendige gemeenschap is die jouw commentaar op prijs stelt. Er is een herkenning en erkenning van een gemeenschap met andere mensen, op basis van een interesse, passie, of zaak (issue). Het opslaan van de ruwe data is een noodzakelijke voorwaarde voor de circulatie van de inhoud, het praten over en bediscussiëren van de brokjes geschiedenis, de waardering ervan. We beschouwen het een in het licht van het ander, we begrijpen het een door het in verband te brengen met het ander, oorzaak, gevolg, ontwikkeling, het een volgt uit het ander. We construeren een netwerk van verbanden. We maken er verhalen van. Tenminste, dat zouden we doen, in theorie, wanneer we echt ons klik-discussie-en-downloadgedrag omvormen tot een betekenisvolle activiteit.

Eén knooppunt van interesses is de plek waar je bent. 4 Een plek is meestal niet een 'lege, betekenisloze plek', het is een beleefde, sociale ruimte. De socioloog Michel de Certeau onderscheidde daarom tussen lieu en espace. Verhalen over een plek zijn een van de aspecten die een plek tot sociale en beleefde ruimte maken. Praktisch gezien blijkt de koppeling tussen verhalen, interesse en een plek uit het feit dat mensen met een reisgids in handen voor een kerk staan, daarom bestaan er stadswandelingen waarin een lokaal historicus uitleg geeft, daarom hebben we plaatsgebonden informatieborden (dat is eigenlijk een pleonasme). Er zijn kunstenaars die dit gegeven uitbuiten, in het Nederlandstalige gebied bijvoorbeeld Cilia Erens, Peter Westenberg, Esther Polak, of de Italiaanse Valentina Nisi, die de meeste van haar projecten in Ierland realiseerde.5 Sommige van die locative projecten stellen het zonder nieuwe technologie, andere maken juist gebruik van het internet, GPS-ontvangers en RFID om nieuwe vormen van verhalen-vertellen en mapping te exploreren. Ook verhalennetwerken op het web zijn vaak gebonden aan een plek, en verzamelen in verhalen en foto's van gebruikers, het geheugen van een wijk of een stad. Voorbeelden zijn het Amsterdamse Geheugen van Oost en Geheugen van West, de verhalen over Dordrecht en het Droombeek-project uit Enschede.6 Voor zover deze projecten gebruik maken van gelocaliseerde informatie, zijn het voorbeelden van wat misschien een nieuw genre is: spatiale verhalen, verhalen die over een plek gaan, en verspreid zijn over de ruimte, die ervaarbaar en leesbaar worden door het navigeren door de ruimte.

Tegelijk mogen we niet vergeten dat een goed verhaal de locatie overstijgt. Dankzij het schrift konden verhalen los van een verteller reizen. Dankzij drukwerk bereikten ze een groot publiek. Dankzij het internet is er directe toegang tot een enorme bibliotheek aan verhalen. Ook de mapping-projecten die hun data koppelen aan locaties zijn databases met verhalen, foto's, routes, geluid die de geschiedenis en de ziel van een plek tonen.7 Verhalennetwerken leveren materiaal waaruit de lezer eigen verhalen construeert - bijvoorbeeld door al het materiaal bij een trefwoord te lezen, of al het materiaal dat bij een specifieke plek, of gebouw hoort. Zo lees je geschiedenissen van een straat, van een familie, van een wijk, van een object. Kunstenaars als Esther Polak gebruiken nieuwe technologieën om routes van 'niet-menselijke actoren', in haar geval melk en zuivelproducten te volgen, en zo vertellen ze verhalen, of creëren ze een nieuwe vorm van landschapskunst. In de narratieve traditie van de westerse wereld volgt het merendeel van de verhalen de ontwikkeling van een personage, een held. Op het web is het ordenen van materiaal rond een plek, of rond een object dat wordt gevolgd, even vanzelfsprekend.

Het idee achter verhalennetwerken is dikwijls dat er binnen het materiaal verbindingen groeien, waardoor er langere verhalen gemaakt kunnen worden. Als je maar genoeg data verzamelt, en deze met slimme software analyseert en matcht, ontstaan er 'vanzelf' interessante, betekenisvolle verbanden. Al snel formuleer je dan een theorie waarbij de data in de databases, bronmateriaal is waaruit verhalen worden gegenereerd. Dat klopt in de zin dat we 'arbeid' verrichten om betekenis te verlenen aan de reeks data die we aan onze ogen en oren voorbij laten trekken terwijl we op link na link klikken.

Zijn het wel verhalen? Wanneer is er sprake van een verhaal, wanneer is het gewoon een reeks? Zijn het vaak niet eerder aanleidingen tot verhalen, materiaal dat nog tot verhaal gevormd moet worden, en dat nooit werkelijk tot verhaal wordt? Wij zijn immers niet allemaal romanschrijvers of getalenteerde vertellers, ook niet met de rijkdom van die data onder de vingertoppen. Software is zeker nog geen verhalenverteller, ik ken in ieder geval geen voorbeeld, hoe verbazingwekkend tekstgeneratoren ook zijn, ze faciliteren het verhalen-maken. Waar ligt de grens tussen 'data in een database' en 'verhaal'? Databases zijn gestructureerd op efficiënte opslag of maximum flexibiliteit, het verhaal is een vorm van structurering die is gericht op betekenis.

Een jaar of zeven geleden schreef mediatheoreticus Lev Manovich dat de database juist tegengesteld is aan het verhalende: 'After the novel, and subsequently cinema privileged narrative as the key form of cultural expression of the modern age, the computer age introduces its correlate - database. Many new media objects do not tell stories; they don't have beginning or end; in fact, they don't have any development, thematically, formally or otherwise which would organize their elements into a sequence. Instead, they are collections of individual items, where every item has the same significance as any other.' (Manovich, 2001)

Klikken we dan alleen maar reeksen data aan elkaar? Ik denk het niet. De vraag is: wanneer wordt het een verhaal? En - een vraag die ik niet zal beantwoorden, maar waaraan ik wel wil herinneren - is het beter wanneer het verhalen worden, of kunnen we uitstekend leven met ongestructureerde reeksen?

Of kunnen we helemaal niet buiten het narratieve, zelfs al zouden we willen? In de 'roman' This is Not a Novel voert de Amerikaanse auteur David Markson een schrijver op (Writer), die 'tired of inventing characters' is, hij wil een roman 'with no intimation of story whatsoever'. En hij vervolgt: 'And with no characters. None.' 'Plotless. Characterless.' 'Yet seducing the reader into turning the pages nonetheless.' Markson gaat verder: 'Actionless, Writer wants it. Which is to say, with no sequence of events. Which is to say with no indicated passage of time. No setting. No so-called furniture. Without descriptions. No overriding central motivations. Hence with no conflicts and / or confrontations. No social themes, i.e. no picture of society. No depiction of contemporary manners and / or morals. Categorically, with no politics. Entirely without symbols. A work of art without even a subject.' (Markson, 2001) En toch ontkomt Writer er niet aan om een verhaal te construeren, en de lezer evenmin. Misschien is dat boek This is not a Novel, wel een van de welsprekendste argumenten voor het centrale, en fundamentele belang van het narratieve.

De Ierse literatuurwetenschapper en filosoof Richard Kearney begint zijn studie On Stories, met de vaststelling: 'Verhalen vertellen is voor de mens even fundamenteel als eten. Eigenlijk nog fundamenteler, want voedsel houdt ons in leven, maar verhalen geven ons leven waarde. Zij maken ons mensen tot wat we zijn.'8 (Kearney, 2002) Aristoteles, zo'n beetje de grondlegger van ons denken over verhalen, stelt in zijn Poetica dat, (en ik citeer Kearney) 'de kunst van het vertellen, gedefinieerd als het op toneel imiteren en verbeelden van menselijk handelen, ons een gedeelde wereld verschaft.' (Kearney, 2002) Nog steeds op de allereerste pagina van On Stories schrijft Kearney dan 'Pas wanneer toevallige gebeurtenissen een verhalende vorm krijgen en op die manier herinnerbaar worden gemaakt, komen we volledig in het bezit van onze geschiedenis.' Die zin zit propvol met inzichten en vooronderstellingen. Ten eerste de constatering dat ons bestaan een reeks 'toevallige gebeurtenissen' is. Ten tweede: die reeks moet betekenis krijgen en wordt herinnerbaar gemaakt door een specifieke bewerking van het materiaal (de reeks toevallige gebeurtenissen). Door die bewerking wordt de betekenisloze reeks een betekenisvol verhaal. Een verhaal maken vereist arbeid: structurering. Ten derde: een verhaal bezit verklarende kracht. Verder kunnen we hieruit afleiden dat niet elke reeks gebeurtenissen een verhaal is.9 En ten slotte: de mens is behept met de behoefte om aan zichzelf uit te leggen waarom de dingen zijn zoals ze zijn, hoe het zo gekomen is, en waarom het leven op een bepaalde manier verloopt.

Met Hannah Arendt meent Kearney dat het waarschijnlijk de overgang van natuur naar narrativiteit, van ondergane tijd naar verbeelde tijd is waardoor het louter biologisch leven van de mens (zoe in het Grieks) tot menselijk leven (bios) wordt, een leven dat ook een vorm van handelen (praxis) is. Hij haalt Arendt aan die in The Human Condition schreef: 'Het voornaamste kenmerk van het specifiek menselijk leven is dat het altijd gevuld is met gebeurtenissen die uiteindelijk als een verhaal verteld kunnen worden.' We beschrijven het heden in het licht van het verleden en verwachtingen voor de toekomst. Wie geen verhaal te vertellen heeft, is niemand. Verhalen humaniseren de tijd, een verhaal ordent de gebeurtenissen, maakt ze los uit de verstrooiing in de tijd, en verleent samenhang. Wat een betekenisloze opeenvolging was, wordt een plot.

Mark Turner gaat in The Literary Mind nog een stap verder. Hij legt uit dat het vermogen tot het construeren van een verhaal, voorafgaat aan grammatica: taal komt voort uit de mentale capaciteit om verhalen te vormen. Kearney sluit aan bij Turner's opvatting als hij beweert dat ieder mensenleven impliciet een verhaal is, omdat wij eindig zijn en daarom ons bestaan interpreteren in het licht van verleden en toekomst (geheugen en projectie), en in termen van begin, midden en einde (al niet per se in die volgorde). Door die temporele structuur zoeken we noodzakelijk naar betekenis. (Turner, 1996). Het bestaan is pre-narratief, het wordt pas volledig narratief wanneer het door een formele, verbale herschepping wordt verteld. De Franse filosoof Paul Ricoeur vroeg zich af of het vertelde leven niet wellicht rijker is dan het onvertelde, geleefde leven. 'Immers het vertelde leven opent perspectieven die voor de normale manier van kijken gesloten blijven. Het biedt een poëtische exploratie van mogelijke werelden die onze referentiële relaties tot de levenswereld (...) aanvult en opnieuw vertelt.' (Kearney, p. 145)

Kearney lijkt zich te ontpoppen tot conservatieve cultuurfilosoof als hij een tegenstelling constateert tussen een wereld waarin het verhaal een belangrijke rol speelt, en een media- of cybercultuur. Die mediacultuur, zo lijkt Kearney te beweren, is post-narratief, ge-chat klinkt er luider dan een welgevormd en goed verteld verhaal.10 Maar uiteindelijk gokt Kearney er toch op dat al de nieuwe media niet het einde van het verhaal inluidden, maar juist de weg bereiden voor nieuwe narratieve mogelijkheden. In een cultuur waarin de database heerst, verliezen we dan toch niet aan betekenisgeving.

Semiotici en narratologen hebben het nodige getheoretiseerd over de vraag wanneer precies een tekst een verhaal is. Voor dit artikel ben ik weer eens te raden gegaan bij Umberto Eco's verzameling essays over narratieve teksten uit 1978 Lector in Fabula waarin hij een wetenschappelijke theorie over de rol van de lezer ontwerpt. Eco sluit, net als Kearney aan bij Aristoteles voor wat de minimale eis voor een verhaal betreft: 'er hoeft slechts een actant te zijn (of dat al dan niet een mens is, is niet van belang), een uitgangssituatie, een reeks zich in de tijd voltrekkende en uit oorzaken voortvloeiende veranderingen (die niet per definitie gespecificeerd hoeven te worden en ten slotte een eindresultaat (ook als dat van voorbijgaande of voorlopige aard is).'11 (Eco, 1978)Maar hij formuleert ook een mogelijke definitie voor een relevante en coherente vertelling: 'een vertelling is een beschrijving van handelingen waarin elke beschreven handeling een actant behoeft, een intentie van de actant, een stand van zaken of mogelijke wereld, een verandering met de oorzaak en het oogmerk daarvan. (...) De beschrijving is relevant (...) als de beschreven handelingen moeilijk zijn en alleen dan als de actant geen eenduidig keuze heeft wat de handelingen betreft die hij moet verrichten ten einde verandering te brengen. Hij voegt daar nog aan toe: 'de gebeurtenissen die volgen op [zijn] beslissing moeten onverwacht zijn en een aantal ervan moeten ongewoon of vreemd lijken.' (Eco, p.141)

Even afgezien van de kwestie dat er wel het een en ander valt af te dingen op wat Eco hier schrijft (hij doet dat zelf ook), vind ik dat zijn beschrijving iedereen die het woord verhaal gemakkelijk gebruikt (en ik ben er daar eentje van), even tot denken aanzet. Het zou goed kunnen dat de meeste 'verhalen' die we vertellen, en die we al klikkend construeren, 'klets' zijn, geen relevant verhaal in de zin van Eco. Een anekdote is wel narratief, maar meestal geen relevant verhaal. Niet elk 'verhaal' is een goed verhaal. Dat is overigens niet erg. Het is zelfs maar de vraag of het wel zo belangrijk is dat we van alles wat we op het web tegenkomen relevante verhalen maken. Maar hoe maken we dan het surfen door al die rijke archieven, betekenisvol? Het zijn immers niet uitsluitend aanleidingen tot kletspraat op een forum?

Wat we niet krijgen in de verhalennetwerken is 'the sense of an ending': het einde dat het verhaal completeert, dat een oplossing biedt en ons voorspiegelt dat het leven een afgerond geheel kan zijn, in plaats van een grote rommel. In detectiveseries levert het einde die ene waarheid, de dader en het motief, die het verhaal rond maken en ons het (valse) gevoel geven dat er maar een mogelijke, ware voorstelling van zaken is. Ik heb het niet zo op verklarende eindes, ik houd ook van niet-narratieve literatuur. Ik kan genieten van een stroom waar ik middenin zit. Van mij hoeft het niet altijd een verhaal te zijn. Alleen al daarom zou ik het graag oneens zijn met filosofen zoals Kearney als het gaat over de rol van het narratieve. Toch kan ik er niet onderuit om ze wel gelijk te geven. Het narratieve stelt ons in staat om betekenis te geven aan opeenvolgende gebeurtenissen. In verhalennetwerken is er geen afronding: verhaaltje na anekdote contextualiseren elkaar, zo ontstaan een rijker beeld, geen einde. Hedendaagse lezers, gewend aan websites, zouden hiermee moeten kunnen leven. Maar al is geen afgerond verhaal, we gebruiken wel narratieve schema's om betekenis te geven. Een reeks teksten hoeft niet te eindigen om toch vertellend te zijn.

Dat kunnen we ook zien in de verhalennetwerken die gekoppeld worden aan een plek, die bijvoorbeeld de geschiedenis van een stad in beeld brengen. De bezoeker kan er doorheen dwalen, en al dwalend die geschiedenis 'ervaren'. Misschien is dat woord: ervaren, dat tot nu toe in mijn tekst ontbreekt, wel cruciaal. Door te schakelen tussen 'ergens zijn' (op de plek zelf) en de informatie die daaraan is gekoppeld, wat mogelijk is in locative projecten, wordt de betrokkenheid van de lezer/bezoeker geïntensiveerd, en de ervaring van de geschiedenis vormgegeven. Daarin bewegen we.

Noten

1 - Zoals http://www.memoire-du-cyclisme.net en http://www.dewielersite.net.

2 - http://www.ubu.com

3 - Voor een goede toegang, begin bij Destination Out: http://destination-out.com.

4 - Identiteit is uiteraard een andere reden, de eerder genoemde voorbeelden hebben eerder betrekking op identiteit en cultuur dan op ruimte.

5 - http://www.ciliaerens.nl, http://www.valentinanisi.com/,De locative-projeceten van Esther Polak zoals Amsterdam Realtime (2002), http://realtime.waag.org/, MILK (2004), http://www.milkproject.net./ NomadicMILK (in ontwikkeling), http://www.nomadicmilk.net/, en Nomadic Shopping (2008), http://www.nomadicshopping.net/

6 - http://www.geheugenvanoost.nl/, http://www.geheugenvanwest.nl/, http://www.verhalenvandordrecht.nl/, http://www.droombeek.nl

7 - Ik doe de genoemde kunstenaars onrecht, omdat zij hun werk heel precies hebben vormgegeven: ze hebben een specifieke vorm gegeven aan hoe, waar en wanneer het publiek de verhalen of de inhoud tot zich kan nemen.

8 - Kearney overdrijft: als we niet zouden eten overleven we hoogstens veertig dagen, en al zou je in veertig dagen waarin je niet op eten hoeft te jagen aardig wat tijd hebben voor verhalen, heb ik toch liever eerst wat eten om vervolgens verhalen aan te horen, te lezen of te vertellen.

9 - Niet elke reeks is een verhaal. 1234 is niet verhalend, ook al kun je voorspellen wat erna komt. De meeste muziek heeft wel ontwikkeling maar geen verhaal. Niet elk spel is een verhaal, over dat verschil gaat ook het ludology versus narratology-debat.

10 - Ik ben het hierin niet met Kearney eens. Zijn uitspraak 'De alomtegenwoordige vulgarisering van intimiteit en het persoonlijke, zoals dat in de massacultuur gebeurt (...) lijkt eroderend te werken op de fundamentele menselijke behoefte om iets zinvols te zeggen op een narratief gestructureerde manier' lijkt me een overschatting van de burger van voor de massacultuur, en, zo hoop ik toch, een onderschatting van de mens van na de massacultuur. Zie Kearney p. 142.

11 - Actant is de Greimasiaanse term voor 'karakter', waarbij een karakter ook een object kan zijn, of een idee.

Literatuur

Lev Manovich, 'Database as Symbolic Form', zie http://manovich.net, 2001

David Markson, This is Not a Novel, Counterpoint, New York, 2001.

Richard Kearney, On Stories, Routledge, London, 2002.

Turner, Mark, The Literary Mind: The Origins of Thought and Language, Oxford UP, Oxford, 1996.

Umberto Eco, Lector in Fabula, De rol van de lezer in narratieve teksten, Bert Bakker, Amsterdam, 1989, translation of Lector in Fabula, 1979.

 

Gepubliceerd in Sanne Jansen, Jessica Schoffelen (red.), Hybride Stad, Media & Design Academie, Genk, 2008, ISBN 9789079745005
http://www.experiencelab.be/hybridestad/nl/Maar-wanneer-is-het-een-verhaal.php
Copyright Arie Altena en Media & Design Academie Genk
index